Geest Natuur Leven – complete tekst

Geest Natuur Leven, de complete vertaling van de voordracht “Geisteswissenschaft und Naturwissenschaft in ihrem Verhältnis zu den Lebensrätseln” is hier te vinden als pdf.

Geest Natuur Leven (pdf)
Wil je de voordracht printen, kies dan voor de optie ‘afdrukken als boek’. De opmaak van de pdf is daarop afgestemd.

De Duitse tekst is ook beschikbaar: p_de (pdf)


Hieronder staat een uitgebreide samenvatting van de voordracht:

Geest – natuur – leven

Het hoeft geen verbazing te wekken dat geestwetenschap in deze tijd afgewezen wordt als iets dat louter fantasie en dromerij betreft. Verbazingwekkender zou het zijn als algemene instemming haar ten deel zou vallen.

De grote successen van de afgelopen eeuwen berusten op de natuurwetenschap die zich – als een historische noodzaak – ontwikkelde op basis van de uiterlijke waarneming en het aan de hersenen gebonden denken. Daardoor ontwikkelde zich een manier van denken die tegenover het onderzoek van het geestelijke afwijzend moet staan.

Natuurwetenschap houdt zich bezig met wat van buitenaf tot de mens komt en dat moet ze ook overeenkomstig die buitenkant beschouwen.

Geestwetenschap moet juist in het innerlijk van de dingen doordringen. Ze onderscheidt zich van de natuurwetenschap niet alleen door wat ze beschouwt, maar vooral ook door de manier waarop beschouwd wordt.

Met de kennis uit het gewone leven kan men niet in het innerlijk van de dingen doordringen.

Voor geestelijk onderzoek is zelfopvoeding van de ziel noodzakelijk. De ziel moet iets anders uit zichzelf maken, dan wat ze in het gewone leven is.

In de wereld buiten ons hebben we de jaarlijkse afwisseling van zomer en winter.

Stellen we ons nu eens voor dat mensen alleen de winter waar zouden kunnen nemen. Dat ze in de zomer slapen. Dan beleven ze de aarde alleen maar als iets dat het levenloze, het afstervende voortbrengt. De werking van het zonlicht van de kosmische krachten die het leven tevoorschijn roepen nemen ze niet waar.

Alles wat zich aan de mensen openbaart in de zomer, wat de aarde tot een bron van het leven maakt, dat zou voor zulke wezens een verborgen wereld zijn.

Bekijken we nu de mens zelf. Als de mens slaapt, dan zwijgen in hem alle driften, hartstochten, idealen, gevoelens, belevenissen die in de ziel tijdens het wakker zijn heen en weer golven. Ten opzichte van zijn eigen zelfkennis is de mens werkelijk een wezen dat slaapt in de ‘zomer’, als de levensprocessen in hem opbouwend werken. En alleen in de ‘winter’ is hij wakker – tijdens het bewuste leven overdag, dat afbrekend werkt.

Zoals de winter over de aarde trekt en alles leeg maakt, zo trekt het wakkere dagleven verzengend en verlammend over het leven heen dat tijdens de ziele-zomertijd, ’s nachts, opbouwend werkt.

Als in de mens zich iets ontplooit zoals het ontspruitende plantenleven, dan raakt hij bewusteloos, in slaap.

Is het mogelijk die ziele-zomertijd bewust door te maken, en openbaart zich dan een verborgen wereld?

We kunnen verwachten dat de verlevendigingskrachten – die ’s nachts werken – zich openbaren als we bewust door kunnen dringen in de ziele-zomertijd.

De voorstellingen, ideeën en begrippen die de mens wakend heeft zijn als het ware kiemen die tijdens de ziele-zomertijd tot volle ontwikkeling kunnen komen.

Door concentratie, contemplatie en meditatie kunnen we deze gedachten-kiemen tot leven wekken.

Als geest-onderzoeker concentreert men zich een bepaalde tijd op een eenvoudige voorsteling.

Zodat men in een toestand geraakt waarin men niet meer met de zintuigen waarneemt, zoals in de slaap en waar ook het verstand slaapt. Let dan op wat die voorstelling in de ziel teweegbrengt.

Als de ziel zich steeds weer aan zulke oefeningen overgeeft, dan doet men de ontdekking dat de gevoelens en gedachtes en voorstellingen die in het gewone leven in onze ziel aanwezig zijn werkelijk iets nieuws, iets bijzonders uit zich laten ontspruiten.

De wereld die dan verschijnt, is echter uiterlijk verwant aan de wereld van hallucinaties en waanvoorstellingen.

Iemand die met hallucinerende mensen leeft, weet dat men hen hun hallucinaties nooit uit het hoofd kan praten.

Als we ons tegenover dat stellen wat uit de ziel opstijgt als een wereld die niet de gebruikelijke wereld van de ziele-wintertijd is, dan voelt de ziel zich daaraan overgegeven. En toch is dat niets anders dan het uitvloeisel van de ziel zelf.

De mens zou zichzelf uit moeten wissen, als hij niet aan zijn visioenen geloofde.

De geest-onderzoeker moet nu door zijn sterke wil uit kunnen wissen wat daar op die manier voor hem verschijnt. Kan hij dat niet, dan was hij als iemand die een voorwerp ziet en zijn blik daar niet meer van kan afwenden.

De juiste scholing leidt tot vrije hanteren, tot uit kunnen wissen van al wat dan als zichzelf tevoorschijn komt.

Als dit bereikt, dan beleeft de geest-onderzoeker wat men een objectieve geestelijke wereld kan noemen.

Men kan daar onderscheiden wat fantasie en wat werkelijkheid is. Daarover beslist het leven zelf.

De geest-onderzoeker ontwaakt tot een hoger geestesleven in vergelijking waarmee het wakkere dagleven een soort slaaptoestand is. Die stap is vergelijkbaar met de overgang die het kind maakt als het rond het derde, vierde jaar tot zelfbewustzijn komt, maar dan op een hoger niveau.

Als de mens zo in een bewust gemaakte slaaptoestand de geestelijke wereld waarneemt leert hij afzonderlijke feiten en wezens kennen.

Bij het uitwissen van zichzelf blijft een rest over die niet uit te wissen is. Dat is de eigenlijke kern van de geest-onderzoeker zelf. Bij nader onderzoek daarvan ontdekt hij hoe die kern door meerdere aardelevens gegaan is.

Dit geldt tegenwoordig nog als fantasterij: het aardeleven waar we nu in leven is het begin, het zaaisel voor een nieuw aardeleven.

De geestelijk-zielsmatige kern werkt innerlijk om tot een fysiek bestaan te komen, als de kiem die van een voorafgaand wezen overbleef en zich nu wederom ontplooit tot een geestelijk-zielsmatig wezen.

Zoals Giordano Bruno ontelbare werelden in de verte van de ruimte geplaatst vond, zo moet de geest-onderzoeker de tijd uitbreiden die bij de mens hoort, waarin hij zijn geestelijk-zielsmatige kern ontwikkelt, in vele levens, vooruit en achteruit

De geestwetenschap wil binnendringen in de innerlijke krachten van het bestaan, zoals de natuurwetenschap binnendringt in de uiterlijke krachten van het bestaan. Dan benadert men de werkelijkheid van twee kanten.

Daar waar de natuuronderzoeker de plant onderzoekt, daar wil hij steeds dichter komen bij dat wat leven is.

De geest-onderzoeker komt op een hoogte waarop hij in bewustzijn en weten alle mogelijke wezens en feiten bereikt en waar de dood als onbereikbaar punt aan het einde staat.

Men krijgt net zo weinig vat op de dood in het geest-onderzoek als men vat krijgt op het leven in het natuuronderzoek.

Zoals de natuurwetenschap er naar streeft de uiterlijke wereld te leren kennen, zo moet de geestwetenschap er naar streven het lot te leren kennen. En zij kan het lot van de mensen alleen leren kennen doordat zij de oorzaken van een volgend aardeleven voorbereid ziet in dit aardeleven.

Zo worden de grote levensraadsels beantwoord als natuurwetenschap en geestwetenschap samenwerken.

Dat wat door de geest-onderzoeker gevonden is – en onder woorden gebracht, want pas dan is het wetenschap – dat kan door de gewone mens begrepen worden. Het kan aan de ziel datgene geven wat ze nodig heeft als ze voor de raadsels van het leven staat.

De bewering van de natuurwetenschap dat deze mens die en die eigenschappen van zijn ouders heeft geërfd is net zo juist als de bewering van de geestwetenschap dat hij die eigenschappen heeft omdat hij daarvoor in een vorig leven de oorzaken van gelegd heeft.

Zoals de natuurwetenschap de mens vele cultuurgoederen heeft geleverd, zo zal de geestwetenschap de mens ziele goederen schenken, die innerlijke kracht geven. Het weten dat er een eigen wezenskern bestaat zal zekerheid geven in de ouderdom.

Dit weten zal de mens vervullen met wat hij nodig heeft opdat hij in zijn leven de kracht heeft voor zijn werk, opdat het hele uiterlijke leven gedijen kan.

Geestwetenschap is niet alleen maar wetenschap. Ze gaat uit van de ervaring en ze eindigt bij de ervaring.

De onjuiste leer, dat de geest slechts een aanhangsel van het materiele bestaan zou zijn, die laat zich niet weerleggen, want ze berust op de overtuiging dat het onjuiste, het alleen maar materiele bestaan, waar is.

Maar het tegendeel daarvan, dat aan het materiele bestaan de geest ten grondslag ligt, dat is de leer die de waarheid weergeeft, de ware wetenschap.

En deze waarheid vecht zich overal doorheen. Nog altijd is dat wat eerst paradoxaal verschijnt later als waarheid aangenomen.