Landbouwcursus

De landbouwcursus vormt de basis én het begin van de biologisch-dynamische landbouw. Rond Pinksteren 1924 hield Rudolf Steiner acht voordrachten over landbouw, voor een publiek van meer dan honderd boeren, eurithmisten en landgoedeigenaren. Rudolf Steiner kon spreken voor een publiek dat vertrouwd was met de basisbegrippen en basiswerken uit de antroposofie.

Steiners benadering van de landbouw – als iets dat met alle aspecten van het mens-zijn verbonden is – verraste de deelnemers. Hij maakte begrijpbaar waarom wortels en lijnzaad goed zijn voor kalveren, hoe je met preparaten de werking van de bemesting kunt versterken en waarom een landbouwbedrijf het beste functioneert als het zelf produceert wat het – bijvoorbeeld aan mest – nodig heeft.

Deze benadering is volstrekt tegengesteld aan wat we gewend zijn. Praten over koolstof als “de grote boetseerder” is ongebruikelijk. De opvatting dat materie opgebouwd is uit atomen, protonen, neutronen en elektronen, is diep in ons verankerd. Dat zit het werken met zulke levende beelden vaak in de weg.

De rode draad in de landbouwcursus is de aansporing om alles in de juiste hoedanigheid te zien én in zijn samenhang met de hele omgeving. Om te zien wat de rucola vraagt, die daar wat geel staat te kiemen. En dat je dan kan besluiten om de grond daaromheen los te schoffelen, omdat je ziet dat die dichtgeslagen is door de regen. Of om je af te vragen wat het paard wil, dat steeds na binnenkomst in de stal zijn hals aan het hek begint te schuren. Hoe kan ik daarbij aansluiten? Hoe spreekt dat wat ik tegenover me heb zich uit? En wat vraagt dat van mij om te doen?

Lees hieronder de samenvatting van de landbouwcursus. Deze samenvattingen komen tot stand in samenwerking met het project van de BD-Vereniging omtrent de landbouwcursus.

1: Vergroot de samenhang die je bij je werk betrekt. Let op de kwaliteit van wat je eet.


Samenvatting eerste voordracht van de landbouwcursus


Koberwitz, 7 juni 1924


Op de eerste plaats wil ik mijn dank uitspreken voor alles wat hier door de familie Keyserlingk verzorgd wordt opdat deze cursus plaats kan vinden. We zijn hier op een buitengewoon gunstige plek voor hetgeen we te bespreken hebben. De cursus zelf zal ons duidelijk maken dat de aangelegenheden van de landbouw aan alle kanten verweven zijn met de verste uithoeken van het menselijk leven.


U zult het mij moeten vergeven als ik voor de inleiding van vandaag zo’n grote omweg moet maken, dat misschien niet iedereen direct ziet hoe die inleiding verband houdt met wat we speciaal landbouwkundig te bespreken hebben.


Vanzelfsprekend zou iedereen moeten inzien dat je pas over de landbouw kunt spreken, ook in zijn maatschappelijke organisatie, als je werkelijk weet wat bietenteelt, aardappel¬teelt, graanteelt is. Men dient te begrijpen hoe die biet verbonden is met de akker, met het seizoen waarin hij groeit, enzovoort. Zoals we bij een magneetnaald alleen het gedrag daarvan kunnen begrijpen als we de hele aarde met haar magnetisch veld daarbij betrekken, zo is het voor het begrijpen van de plantengroei noodzakelijk de kosmos daarbij te betrekken.


Het is weinig bekend dat bepaalde ziekten of ook andere verschijnselen in het menselijk leven in hun tijdsverloop processen uit de uiterlijke natuur nabootsen. Alleen wat begin en einde betreft vallen ze niet met die natuur¬processen samen. Denkt u maar aan de menstruele cyclus van de vrouw, die als proces in de tijd een nabootsing is van de maancyclus, en er alleen wat begin en einde betreft niet mee samenvalt. Deze emancipatie van de kosmos is wat het menselijk leven betreft bijna volledig doorgevoerd. Bij het dier is dat al minder het geval, maar de plant is werkelijk nog in hoge mate opgenomen in het algemene leven van de natuur, ook van buiten de aarde. En daarom zullen wij het plantenleven onmogelijk kunnen begrijpen als wij daarbij niet bedenken dat alles wat er op de aarde is, eigenlijk maar een weerschijn is van wat zich in de kosmos afspeelt.


Om de aarde heen vinden we in de hemelruimte in de eerste plaats de maan en vervolgens de andere planeten van ons planetenstelsel. In een oude instinctieve wetenschap, waarin de zon tot de planeten werd gerekend, had men deze volgorde: maan, Mercurius, Venus, zon, Mars, Jupiter, Saturnus.


In dit aardse leven – als we het in het groot bekijken – is een hoogst belangrijke rol weggelegd voor wat ik zou willen noemen het leven van de kiezelsubstantie. Kiezelsubstantie vindt u bijvoorbeeld in kwarts, in zijn prisma- en piramide¬vorm opgesloten. Dat wat daar als silicium in kwarts leeft, over ons hele aardoppervlak voorkomt en zevenentwintig à achtentwintig procent van alle stoffen uitmaakt. Het treedt op in een vorm die, als je naar het uiterlijk materiële, naar de aardbodem kijkt met zijn plantengroei, niet erg belangrijk lijkt. Want het is niet oplosbaar in water. Maar neemt u nu eens akker¬paardestaart, dan vindt u daarin tot negentig procent kiezelzuur, in een heel fijne verdeling. Uit dat alles kunt u opmaken dat het kiezel, het silicium, toch een enorm belangrijke rol moet spelen. In de geneeskunde zoals die uit de antroposofie voortkomt, vormt kiezelsubstantie een belangrijk bestanddeel van heel veel geneesmiddelen. Silicium zit in een buitengewoon fijne verdeling ook in de atmosfeer, het iseigenlijk overal te vinden.


Stel dat wij maar de helft aan kiezel in onze aardse omgeving zouden hebben, dan zouden we planten hebben die allemaal min of meer piramidale vormen hadden. De bloemen zouden pover ontwikkeld zijn, en we zouden bij bijna alle planten zulke ongewoon aandoende vormen vinden als bij cactussen. De graangewassen zouden er heel eigenaardig uitzien: met naar onderen dik toelopende, zelfs vlezige halmen, en met schamele aren, we zouden geen volle aren krijgen.


Aan de andere kant zien we dat er overal kalksubstantie en wat daarmee verwant is in de aarde aanwezig moet zijn: kalk, kali, natriumsubstantie. Zou dáárvan nu minder aanwezig zijn dan er is, dan zouden wij uitsluitend planten krijgen met dunne stengels, planten die voor het merendeel windende stengels zouden hebben, we zouden louter slingerplanten krijgen. De bloemen zouden weliswaar opengaan, maar ze zouden onvruchtbaar zijn, ze zouden ook nauwelijks voedingsstoffen opleveren. Alleen in het equilibrium, in het samenwerken van deze beide krachten, in het samenwerken van kalkachtige en kiezelachtige substanties floreert het plantenleven in de vorm waarin we het kennen.


Alles wat in het kiezelelement leeft, heeft krachten die niet van de aarde komen maar van de zogenaamde buiten¬planeten: Mars, Jupiter, Saturnus. Wat van deze planeten uitgaat, werkt op het plantenleven in langs de weg van het kiezelachtige en wat daarmee verwant is. Maar van de planeten die het dichtst bij de aarde staan, de binnen¬planeten maan, Mercurius en Venus, werken de krachten langs de weg van het kalkachtige op het plantenleven en ook op het dierenleven van de aarde in.


Zo kunnen we van iedere akker die bebouwd is zeggen: daarin werken kiezelachtige krachten en kalkachtige krachten. In het kiezelachtige werken Saturnus, Jupiter, Mars, in het kalkachtige maan, Venus, Mercurius.


Op twee dingen moeten we in het plantenleven letten. Het eerste is dat de hele plantenwereld en ook iedere afzonderlijke plantensoort zichzelf in stand houdt, het vermogen tot reproductie, tot voortplanting heeft. Het andere is dat de plant als wezen van een verhoudingsgewijs laag natuurrijk de wezens van de hogere natuurrijken tot voedsel dient. Het zijn twee totaal verschillende belangen die hierin tot uiting komen. En toch werken in het krachtenveld van de natuur de dingen zo dat alles wat met het innerlijke reproductievermogen en met de groei samenhangt, wat ertoe bijdraagt dat de ene generatie planten op de andere volgt, berust op de invloeden van maan, Venus en Mercurius die via het kalkachtige vanuit de kosmos op de aarde inwerken. Maar wanneer planten bij uitstek voedingsmiddelen worden, wanneer ze zich zo ontwikkelen dat hun substanties tot voedingsmiddel worden voor dier en mens, dan zijn daarbij Mars, Jupiter en Saturnus betrokken langs de weg van het kiezelachtige.


Nu, dat lijkt voorlopig niet meer dan een wetens¬waardigheid. Maar zulke dingen, die aan een iets wijdere horizon zijn ontleend, wijzen op den duur vanzelf een weg van het weten naar de praktijk.


Als het nu zo is dat er van maan, Venus en Mercurius krachten naar de aarde gaan en dat deze krachten tot werkzaamheid komen in het plantenleven, dan moeten we ons afvragen: waardoor wordt dat meer of minder bevorderd of geremd? Waardoor wordt bevorderd dat de maan of Saturnus op het plantenleven werkt en waardoor wordt dat geremd?


Water heeft bij uitstek het vermogen om de krachten die bijvoorbeeld van de maan komen door de aarde te loodsen, met andere woorden, water zorgt voor de verdeling van de maankrachten in het gebied van de aarde. Laten wij dus eens aannemen dat er net een paar regendagen zijn geweest en dat het dan volle maan wordt. Kijk, met de krachten die van de maan komen op dagen dat het volle maan is, gebeurt er op aarde iets kolossaals. Die schieten de hele plantengroei in. Ze kunnen daar niet inschieten als er niet eerst regendagen zijn geweest. Wij staan dus voor de vraag of het van belang is dat we zaad uitzaaien nadat er onlangs regen is gevallen en het daarna volle maan wordt, of dat we gedachteloos op ieder moment kunnen uitzaaien. Natuurlijk, ook dan zal er iets uitkomen, maar de vraag is niettemin: is het goed om zich bij het uitzaaien te richten naar regen en volle maan?


Verder: we hebben om onze aarde heen de atmosfeer. En die atmosfeer heeft, behalve dat ze lucht bevat, in de eerste plaats de bijzonderheid dat ze nu eens warmer, dan weer kouder is. Hoe is het nu met die warmte? Uit de geestelijke waarneming blijkt dat, warmte juist een buitengewoon sterke relatie tot kiezel heeft, dat de warmte precies die krachten die via het kiezelelement kunnen werken bijzonder activeert, en dat zijn de krachten die van Saturnus, Jupiter en Mars uitgaan.


Saturnus heeft dertig jaar nodig voor zijn omwenteling om de zon, de maan maar dertig of achtentwintig dagen voor zijn fasen. Hij moet op een heel andere manier samenhangen met de plantengroei. Nu hangt het altijd van de warmtetoestand van de lucht af hoe sterk die Saturnuskrachten het plantenleven op aarde kunnen beïnvloeden. Bij koude lucht kunnen ze dat niet, bij warme lucht wel. Wat Saturnus doet met behulp van de warmtekrachten van onze aarde, dat zien we wanneer er vaste planten ontstaan. Want de resultaten van deze krachten die via de warmte in de plant overgaan, zien we in de bast en de schors van bomen, in alles wat de plant tot vaste plant maakt. De achtergrond daarvan is dat het eenjarige leven van de plant en haar gebondenheid aan een korte levenscyclus samenhangt met de planeten die korte omlooptijden hebben. Wat zich daarentegen aan dit tijdelijke onttrekt, wat bomen met een bast, met schors omgeeft, wat ze duurzaam maakt, dat hangt samen met de planeetkrachten die via de krachten van warmte en kou werken en die een lange omlooptijd hebben, zoals Saturnus dertig en Jupiter twaalf jaar.


Daarom is het niet onbelangrijk dat iemand die een eiken boom wil planten, verstand heeft van Marsperioden. Want een eiken boom die op een geschikt moment in de juiste Marsperiode is aangeplant, zal anders gedijen dan wanneer we hem gedachteloos, eenvoudig wanneer het ons uitkomt, in de grond zetten. Of als u een perceel met naaldbos hebt, waarin de Saturnuskrachten zo’n grote rol spelen, dan maakt het heel wat uit of u in een zogenaamde opstijgende periode van Saturnus of in een andere periode naaldbomen aanplant. En iemand die dit soort dingen doorziet, kan, als het de vraag is waarom iets wil groeien of niet, heel precies zeggen of de dingen met inzicht in de krachtsverhoudingen zijn gedaan of niet. Stel bijvoorbeeld dat wij hout van bomen die zonder inzicht in de kosmische perioden op aarde zijn geplant, gebruiken om te stoken, dan geeft ons dat niet zo’n gezonde warmte als wanneer we bomen gebruiken die met verstand van zaken zijn geplant.


Waarom is het tegenwoordig onmogelijk om nog zulke aardappels te eten als ik in mijn jeugd gegeten heb? Heel wat dingen zijn in de loop van de jaren beslist achteruitgegaan wat hun innerlijke voedingswaarde betreft. Dat komt omdat men geen enkel begrip meer heeft van de intiemere processen die in het heelal werkzaam zijn en die toch weer gezocht moeten worden, langs een weg zoals ik die vandaag alleen inleidend kon schetsen.

2: Maak van je landbouwbedrijf een zich zelf verzorgend systeem. Let op wat aards is en wat kosmisch is


Samenvatting tweede voordracht van de landbouwcursus


10 juni 1924


Een landbouwbedrijf verwerkelijkt zijn ware aard het beste als het kan worden opgevat als een soort individualiteit. Het zou mogelijk moeten zijn om alles wat voor de productie nodig is, binnen het eigen landbouwbedrijf te hebben. Alles wat in een bedrijf van buitenaf moet worden aangevoerd aan bemestingsmiddelen en dergelijke, dat zou als een geneesmiddel moeten worden beschouwd. We moeten een begrip krijgen van het noodzakelijke gesloten karakter van een landbouwbedrijf, willen we de dingen reëel kunnen inrichten.


De bodem wordt gewoonlijk als iets zuiver mineraals beschouwd, waar hoogstens door humusvorming of doordat er mest in wordt gebracht nog iets organisch in terechtkomt. Maar de bodem als zodanig heeft een zeker leven. Ze draagt op zichzelf al iets plantaardigs in zich. Er is zelfs iets astraals in de bodem werkzaam. Dit innerlijk leven is verschillend in de zomer en in de winter.


De bodem is een soort orgaan in het totaal aan groeiend leven. Dat orgaan kunnen we vergelijken met het middenrif van de mens. We krijgen een goede voorstelling van wat zich bij de bedrijfsindividualiteit afspeelt als we zeggen: bij die individualiteit hebben het hoofd onder de grond, en wij en alle dieren leven in de buik van die individualiteit.


We zien een voortdurende, zeer levendige wisselwerking tussen boven-de-aarde en onder-de-aarde. De activiteit die boven de aarde plaatsvindt is direct afhankelijk van maan, Mercurius en Venus, die de zon in zijn werking ondersteunen en modificeren. Terwijl de verre planeten op alles werken wat onder de aarde is. Wat juist uit de verten van de kosmos op de plantengroei inwerkt, werkt niet door rechtstreekse bestraling, maar doordat het eerst door de aarde wordt opgenomen en dan teruggestraald wordt naar boven. We zien dat vooral via het kiezelhoudende zand het levensetherische aspect van de bodem en het chemisch werkzame aspect in de bodem komt en vervolgens bij de terugstraling werkzaam wordt.


Er moet een voortdurende wisselwerking zijn tussen wat door het kiezel uit de kosmos wordt binnengehaald, waarmee het ‘hoofd’ daar beneden moet worden onderhouden, en wat zich boven in de ‘buik’ afspeelt. Steeds moet wat daar beneden uit de kosmos wordt opgevangen naar boven kunnen stromen. Daarvoor zorgt het kleiachtige in de bodem. Al het klei-achtige is eigenlijk het transportmiddel van de kosmische entiteitsinvloeden in de bodem van beneden naar boven.


Ook het terrestrische, het aardse, dat wat in de buik als het ware nog een soort uitwendige vertering ondergaat, dat moet weer naar beneden worden getrokken in de bodem, zodat er werkelijk een wisselwerking ontstaat. Het kalkgehalte van de bodem en de fijne verdeling van kalksubstanties in een homeopathische dosis direct boven de grond, dat alles dient ertoe om het specifiek terrestrische op zijn beurt weer aan de bodem toe te voeren.


Men zal leren dat er een geweldig groot verschil bestaat tussen de warmte die zich boven de grond bevindt, dus de warmte die tot het domein van zon, Venus, Mercurius en maan behoort, en de warmte die zich in de bodem doet gelden, die dus onder invloed van Jupiter, Saturnus en Mars staat. De warmte boven de grond dood kunne we dood noemen, de warmte onder de grond levend. Zo is het met warmte en met lucht. Ze krijgen een lichte vleug van leven mee wanneer ze in de aarde worden opgenomen.


Anders is het met water en met het aardse, vaste element zelf. Die worden in de aarde doder dan ze daarbuiten zijn. Die verliezen iets van hun uiterlijke leven, maar daardoor worden ze nu juist vatbaar voor de verste kosmische krachten. De minerale substanties moeten zich emanciperen van wat direct boven de grond gaande is, willen ze vatbaar worden voor die verste kosmische krachten. Dat kunnen ze het beste ongeveer in de tijd tussen 15 januari en 15 februari, als in de aarde de grootste vormkracht kan worden ontplooid. Daarvoor, wanneer de mineralen bij wijze van spreken aanstalten maken om in die gevormde, kristallijne toestand over te gaan, stralen ze de krachten uit die buitengewoon belangrijk zijn voor het plantenleven. Ongeveer in de periode van november tot december is er een tijd waarin het gebeuren onder het aard oppervlak een buitengewone invloed krijgt op de plantengroei.


Als we te maken hebben met een bodem die uit zichzelf niet gemakkelijk naar boven draagt wat in dit deel van de winter nu eenmaal naar boven toe moet werken, dan is het goed om aan die bodem wat klei toe te voegen.


Het zaad, waaruit zich het embryonale leven ontwikkelt, wordt gewoonlijk gezien als een buitengewoon gecompliceerd moleculair geheel. Bij de opbouw van het aardse eiwit wordt inderdaad de moleculaire structuur tot de hoogste complexiteit gevoerd. Maar uit die hoogste complexiteit zou nooit een nieuw organisme kunnen voortkomen. Die complexiteit valt weer uit elkaar en eindigt in een kleine chaos. Op dat moment, wanneer het zaad tot de hoogste complexiteit is gebracht en vervallen is tot kosmisch stof en die kleine chaos overblijft, dan begint de hele omringende kosmos op het zaad in te werken en drukt zich erin af en bouwt uit die kleine chaos de plant op. We krijgen in het zaad een afbeelding van de kosmos. Iedere keer wordt in de chaos van het zaad vanuit de hele kosmos het nieuwe organisme opgebouwd.


Maar op het ogenblik dat het zaad in de aarde wordt geplant, werkt het ‘uitwendige’ van de aarde heel sterk op het zaad in, en het is op dat ogenblik doordrongen van het verlangen om het kosmische te verloochenen, om te woekeren. Dat wat boven de grond werkt wil die vorm eigenlijk niet vasthouden. We staan voor de noodzaak om, tegenover dat tot chaos brengen, nu het aardse in de plant te brengen. Dat kan echter alleen gebeuren door werkelijk het leven dat al op de aarde aanwezig is bij het plantenleven in te voegen. En op dit punt wordt de mens geholpen door de humus. De humusvorming berust erop dat wat uit het plantenleven afkomstig is, wordt opgenomen door het proces van de natuur.


Dat wat nog niet tot chaos is gekomen, dat wijst op een bepaalde manier het kosmische af. Wordt dat nu meegenomen in de plantenteelt, dan houden wij het eigenlijk aardse in de plant vast, en dan werkt het kosmische alleen in de stroom die opstijgt en tenslotte weer tot zaadvorming overgaat. Daartegenover werkt het aardse in de blad- en bloemontwikkeling enzovoort. Een plant groeit vanuit de wortel omhoog. Aan het eind van de stengel ontwikkelt zich het zaadje. Bladen en bloemen breiden zich uit. Wat in het blad en in de bloem vormgeving en ook opvulling met aardse materie is, dat is aards.


Daartegenover staat het zaad, dat zijn hele kracht door de stengel ontplooit en dat plantenblad en bloem doorstraalt met de kracht van de kosmos. De groene bladeren dragen in hun vorm, in hun dikte, in hun groene kleur de kenmerken van het aardse. Maar zij zouden niet groen zijn als er niet ook de kosmische kracht van de zon in leefde. Komen we bij de kleurige bloem, dan leeft daarin niet alleen de kosmische kracht van de zon, maar ook de ondersteuning van de verre planeten Mars, Jupiter en Saturnus.


Wat daar in de tint van de bloem verschijnt, dat werkt nu als kracht bijzonder sterk in de wortel. Want daar zien we hoe dat wat in de verre planeten leeft en stuwt, ook in de bodem werkt. Als we een plant uit de aarde trekken en daar beneden de wortel hebben, dan zit in de wortel het kosmische en in de bloem het meest het aardse. Alleen in de fijnste nuancering, in de kleuring, is daar het kosmische te vinden. Moet het aardse daarentegen in de wortel leven, dan schiet het in de vorm. Want de plant ontleent haar vorm aan datgene wat in het aardse domein kan ontstaan. Dat wat voor uitbreiding van de vorm zorgt is aards. Wanneer nu de wortel zich splitst, zich vertakt, dan werkt daarin het aardse naar beneden zoals in de kleur het kosmische naar boven werkt. Dat wil zeggen dat kosmische wortels juist die wortels zijn die compact zijn gevormd.


Kijkt u maar eens naar die planten waarbij het aardse door het kalkachtige sterk in de wortel wordt getrokken: het zijn planten die hun wortels vertakt naar alle kanten laten schieten, zoals de goede voedergewassen dat doen –bijvoorbeeld esparcette. Iets van planten begrijpen betekent: aan de vorm en aan de bloemkleur van een plant kunnen zien in hoeverre daarin het kosmische en het aardse werkzaam zijn.


Waarop moeten wij als we willen dat de kosmische kracht niet helemaal de hoogte in schiet tot in het bloem- en vruchtgebied, maar beneden blijft, als we willen dat stengel- en bladvorming als het ware in de wortelvorming worden vastgehouden? We moeten zo’n plant in een zanderige bodem zetten, want in zo’n bodem wordt het kosmische vastgehouden, regelrecht onderschept. Het ABC van de hele plantenbeoordeling is dat we steeds kunnen zeggen: wat is aan een plant kosmisch, wat is aan een plant terrestrisch, aards? We moeten ons weer nieuwe inzichten eigen maken om in de hele natuurlijke samenhang van die dingen door te dringen. Hoe kunnen we de bodem door zijn specifieke kwaliteiten geneigd maken om het kosmische, ‘dichter’ te maken en het daardoor meer bij de wortel en bij het blad vast te houden? Hoe kunnen we het ‘ijler’ maken, zodat het omhoog wordt gezogen tot in de bloemen, om die kleur te geven, of tot in de vruchtzetting, om die met een fijne smaak te doortrekken?


De beste ‘kosmische kwalitatieve analyse’ voltrekt zich in het samenleven van een bepaald met planten begroeid gebied met wat er aan dieren in dit gebied woont. Als je op een bepaald landbouwbedrijf de juiste hoeveelheid koeien, paarden en andere dieren hebt, zullen deze dieren samen precies zoveel mest geven als voor het bedrijf nodig is, als nodig is om aan dat wat chaos is geworden iets van een tegenwicht te bieden. Dat komt doordat de dieren de juiste hoeveelheid eten van wat de aarde aan planten te bieden heeft. Daardoor produceren ze ook in hun organische proces zoveel mest als nodig is om aan de aarde terug te gegeven.


Het dierlijk organisme is volledig in het grote verband van de natuur opgenomen. Vandaar dat het dier, in de vormen en kleuren die het vertoont en ook in de structuur en consistentie van zijn substantie, van de snuit naar het hart toe de werkingen van Saturnus, Jupiter en Mars laat zien, in het hart de zonnewerking en achter het hart, in de richting van de staart, de werkingen van Venus, Mercurius en maan. Aan de vormen van het skelet kun je zien: in de bouw en ontwikkeling van de kop werkt bij uitstek de bestraling door de zon zoals die bij de bek naar binnen stroomt. Het door de maan teruggestraalde zonlicht ontplooit zijn hoogste werkzaamheid wanneer het op het achterste deel van het dier valt.  De invloed van de zon gaat tot het hart. Bij de ontwikkeling van de kop en van het bloed zijn Mars, Jupiter en Saturnus actief. Van het hart naar het achterdeel wordt de invloed van de maan ondersteund door die van Mercurius en Venus.


Wanneer u het dier kantelt en zo opricht dat het zijn kop in de aarde steekt en zijn achterlijf naar boven strekt, krijgt u dezelfde situatie waarin zich de bedrijfsindividualiteit bevindt. Daarmee hebt u de mogelijkheid vanuit de vormentaal van het dier een relatie te vinden tussen wat het dier bijvoorbeeld aan mest levert en wat de aarde nodig heeft waarop het dier zijn voer vindt.

3: Leer het karakter van de stoffen in de bodem kennen. Mediteer, werk met beelden.


Samenvatting derde voordracht landbouwcursus


11 juni 1924


De krachten van de aarde en van de kosmos, werken op het gebied van de landbouw via de stoffen van de aarde.


Stikstof, koolstof, zuurstof, waterstof en zwavel zijn met elkaar verbonden in het eiwit. Zwavel is bij uitstek de bemiddelaar tussen de vormgevende kracht van het geestelijke en het fysieke.


Koolstof kennen we uiterlijk als kolen, grafiet, of diamant. Het amorfe dat we ons bij koolstof voorstellen verschijnt als laatste uitloper van wat koolstof in de natuur is. Laten we koolstof opvatten in zijn levende werkzaamheid, zoals hij door de mens heen gaat, door het dierenlichaam, zoals hij het plantenlichaam opbouwt. Koolstof is de drager van alle vormgevingsprocessen in de natuur, de grote boetseerder. Hij draagt zijn zwarte substantialiteit met zich mee, maar ook de grote kosmische imaginaties, waaruit alles in de natuur voortkomt.


Koolstof in de natuur bezien we op de juiste manier, als we zien hoe de werkzame geest van de kosmos zich met zwavel bevochtigt, als een plastisch kunstenaar aan het werk gaat en met koolstof de stijvere plantenvorm opbouwt, en de tijdens zijn ontstaan al vergaande vorm van de mens. Daar gaat de ademhaling meteen tot afbraak over, rukt koolstof uit de vaste toestand los, verbindt hem met zuurstof en voert hem af.


Het is de immer bezige, zich vormende en zijn vorm weer oplossende koolstof, op wiens banen, bevochtigd door de zwavel, het geestelijke ‘ik’ in het menselijk bloed zich beweegt. En zoals het menselijk ik als de eigenlijke geest van de mens in de koolstof leeft, zo leeft als het ware ook het in de wereldgeest aanwezige wereld-ik – door tussenkomst van de zwavel – in de zich opbouwende en steeds weer oplossende koolstof.


In vroegere tijdperken was koolstof het enige dat werd afgescheiden. Pas later kwam het kalkachtige erbij, dat de mens gebruikt om zichzelf een vastere grondslag, een stevig geraamte te geven. Wat in de koolstof leeft, kan beweeglijk zijn doordat de mens zich een vaste grondslag geeft in zijn kalkhoudende beenderstelsel. Zo werkt de mens zich in zijn beweeglijke koolstofstructuur uit boven de puur minerale, vaste kalkstructuur die de aarde heeft.


Bij alles wat leeft vormt een min of meer vast of fluctuerend koolstofachtig geraamte de banen waarlangs het geestelijke zich door de wereld beweegt.


Bij elk levend wezen moet dit leven van iets geestelijks, iets etherisch doortrokken zijn. De fysieke drager van dat geestelijke is de zuurstof. Die brengt – met behulp van de zwavel – levensprocessen in dat koolstofgeraamte. Zuurstof vormt de weg waarlangs de golvende, vibrerende, wevende werkelijkheid van het etherische zich beweegt.


Overal in de natuur moet het etherisch-zuurstoffelijke de weg vinden naar het geestelijk-koolstoffelijke. Stikstof bemiddelt daarbij. Die brengt het leven over in de structuren die in de koolstof belichaamd zijn. Het geestelijke gebied dat, ook hier met behulp van zwavel, in de stikstof aan het werk is, is het astrale. Het etherische leven zou wolkachtig naar alle kanten uitvloeien, het zou geen oog hebben voor dat koolstofgeraamte, als de stikstof niet zo sterk tot dat geraamte werd aangetrokken.


Stikstof werkt sterk in het geestelijke door, en daardoor is het zo noodzakelijk voor het leven van planten. De plant heeft, althans zoals ze in de aarde staat, alleen een fysiek lichaam en een etherlichaam. Maar het astrale van buiten moet haar overal omringen. Het astrale is overal, en stikstof, de drager van het astrale, is overal; hij waart in de lucht rond als lijk, maar op het ogenblik dat hij in de aarde komt wordt hij weer levend en ook gevoelig. Hij voelt of het juiste kwantum aan water in een bodem aanwezig is. Hij beleeft het als aangenaam wanneer op een bodem de juiste planten groeien. Stikstof giet over alles een soort voelend leven uit. Dat de planeten invloed uitoefenen op de vorm van de plant, dat weet de stikstof werkelijk. Net zoals het ook de stikstof in het menselijk zenuw-zintuigstelsel is die de beleving van het waargenomene doorgeeft


Leven is werkzaam via het zuurstof-element in een samenspel tussen wat vanuit de geest in het koolstofelement geraamtestructuur aanneemt en wat vanuit het astrale via de stikstof het geraamte gevoelig maakt.


In de wereld van de structuren is de geest fysiek geworden, hij woont daarin astraal in een lichaam, in een afspiegeling van zichzelf. Dat valt hem zwaar na enige tijd. Hij wil zich oplossen. Hij heeft nu, nadat hij zich met zwavel heeft bevochtigd, een stof nodig waarin hij alle structuur kan verlaten en kan overgaan in het onbepaalde, chaotische van het heelal. De stof, die aan de ene kant zo dicht bij het geestelijke en aan de andere kant zo dicht bij het stoffelijke staat, is waterstof. Waterstof lost alles op.


Wat doen we als wij mediteren? Altijd wordt door het mediteren de loop van de ademhaling beïnvloed. Er blijft iets meer koolzuur bij ons. U dringt steeds meer door tot een beleven van de stikstof om u heen. Stikstof licht ons in over wat Mercurius, Venus doen, omdat hij dat ervaart.


Het is goed wanneer degene die landbouw bedrijft kan mediteren. Hij maakt zich daardoor ontvankelijk voor de openbaringen van de stikstof. Hij krijgt weet van bepaalde geheimen die in de landbouw spelen. Je loopt door het veld, en ineens is het er. Je weet iets, en je probeert het dan uit.


Waar koolstof, waterstof, stikstof in blad, bloem, kelk en wortel voorkomen, zijn ze in de een of andere vorm aan andere stoffen gebonden. Er zijn twee manieren waarop ze zelfstandig kunnen worden, ofwel doordat de waterstof alles wegvoert naar de verten van het heelal, ofwel doordat het de oerstoffen van het eiwit in de kleinheid van de zaadvorming drijft en ze daarin zelfstandig maakt. In de kleinheid van de zaadvorming heerst chaos. In de wijde omtrek heerst chaos. Nu moeten de chaos in het zaad en de chaos in de wijdste kosmische omtrek op elkaar werken. Dan ontstaat het nieuwe leven.


Wat in het inwendige van de mens werkt als zuurstof of als stikstof, gedraagt zich heel ordelijk. Maar de uitlopers van het koolstofachtige en het waterstofachtige kunnen zich niet zo ordelijk gedragen. Wanneer het koolstofachtige met zijn activiteit uit het plantenrijk aankomt bij het dieren- en mensenrijk, moet het beweeglijk worden. Om vaste gedaante aan te nemen moet het zich op een dieper liggend geraamte opbouwen. Dat is het kalkhoudende beenderstelsel, en ook het kiezelachtige dat we in ons hebben. Kalk geeft koolstof de aardse, kiezel de kosmische vormkracht.


Kalk en kiezel vinden we ook als grondslag van het plantenleven. Wat koolstof in het menselijke spijsverterings-, ademhalings- en circulatie-proces ontwikkelt in relatie tot de skeletstructuur en de kiezelstructuur, dat moeten wij ons eigen maken wanneer wij uitkijken over een bodem die met planten is bedekt en waar kalk en kiezel onder zit. Wij moeten voor ons zien hoe het zuurstoffelijke wordt opgevangen door het stikstoffelijke en dan naar beneden wordt geleid tot in het koolstoffelijke, tenminste voor zover dat koolstoffelijke steunt op het kalk- en kiezelachtige.


Dit proces kan mooi worden waargenomen bij de vlinderbloemigen, die inderdaad zijn ingesteld op het aantrekken van de stikstof, om die door te geven aan wat onder hen is. Het kalkachtige daar onder in de aarde is net zo op een soort stikstofinademing aangewezen als de menselijke longen op de zuurstofinademing. Overal waar wij vlinderbloemigen aantreffen, staan we als het ware tegenover de ademhalingswegen, en waar we andere planten vinden, staan we tegenover organen die andere functies vervullen. We moeten het plantenleven zo leren zien dat iedere soort als een onderdeel verschijnt van een de hele plantenwereld omvattend organisme.


De vlinderbloemigen hebben allemaal de neiging om het vruchtdragende, meer in het domein van het bladachtige te houden. Ze willen vrucht zetten voordat ze bloeien. Dat komt doordat bij deze planten alles wat zich in het stikstofachtige ontwikkelt veel dichter bij de aarde wordt gehouden. Ze leiden het stikstofachtige immers naar de aarde toe. Ze hebben ook de neiging hun blad niet gewoon groen, maar iets donkerder te kleuren. U ziet ook een soort onderontwikkeling van de eigenlijke vrucht, dat de zaden van deze planten maar korte tijd kiemkrachtig zijn. Deze planten willen eigenlijk tot de winter wachten met alles wat ze ontwikkelen. Hun groei wordt vertraagd wanneer ze in voldoende mate vinden wat ze nodig hebben: voldoende stikstof in de lucht, die ze op hun manier naar beneden kunnen transporteren.


Dat zijn zo de manieren waarop we naar binnen kunnen kijken in de gang van het leven dat zich onder en boven de grond afspeelt. En als u daar nog bij betrekt, dat het kalkachtige eigenlijk een wonderlijke verwantschap heeft met de wereld van de menselijke begeerten, dan ziet u hoe alles organisch, levend wordt. Kalk zuigt je uit. Je krijgt het gevoel: iets wat werkelijk begeertekarakter heeft strekt zich overal uit waar het kalkachtige is. En dat trekt het plantaardige naar zich toe. Dat moet hem steeds opnieuw ontrukt worden. Waardoor? Door het kiezelachtige. Kalk eist alles op, kiezel verlangt eigenlijk helemaal niets meer. Het is zoals onze zintuigorganen, die zichzelf ook niet waarnemen, maar alleen de buitenwereld waarnemen. Het kiezelachtige is het algemene stoffelijke zintuig in de sfeer van de aarde, het kalkachtige de algemene stoffelijke begeerte, en klei slaat de brug tussen die twee. Dat moeten wij doorzien, om tot een belevende manier van kennen te komen.


Koolstof is het vormgevende in planten, de bouwer van het geraamteachtige. In de loop van de aardse evolutie werd hem dat moeilijk gemaakt. Koolstof zou alle planten kunnen opbouwen als hij maar water onder zich had. Maar nu heeft hij kalk onder zich, die hem stoort. Daarom verbindt hij zich met kiezel; en nu zetten kiezel en koolstof samen zich, geholpen door de klei, aan de opbouw, om op die manier de weerstand van het kalkachtige te overwinnen.


Hoe leeft een plant nu in dit geheel? Van onderen wil het kalkachtige haar met vangarmen grijpen, van boven wil het kiezelachtige haar zo fijn en dun en draderig maken als waterplanten zijn. In het midden staat de bouwer van onze werkelijke plantenvormen, de koolstof, die dat alles ordent. En zoals ons astrale lichaam orde schept tussen ik en etherlichaam, zo werkt de stikstof als astraal element daar tussenin. Dat moeten we leren begrijpen, hoe de stikstof opereert tussen het kalkachtige, het kleiachtige en het kiezelachtige, en tussen al die andere dingen die het kalkachtige voortdurend naar beneden wil hebben en het kiezelachtige voortdurend naar boven wil uitstralen.

4. ....


Samenvatting vierde voordracht landbouwcursus


in voorbereiding

Ervaringen uit de praktijk

De BD-Vereniging publiceerde een serie interviews over ervaringen met de landbouwcursus. Deze brochure (pdf) is hier te laden: De landbouwcursus als inspiratiebron.