Samenvatting: Wetenschap van de geheimen der ziel

Vorderingen tot nu toe:

Woord vooraf bij de eerste druk
Woord vooraf bij de vierde druk
Voorwoord bij de zevende tot vijftiende druk
Voorwoord bij de zestiende tot twintigste druk

Karakter van de occulte wetenschap

Het wezen van de mens


Rudolf Steiner, Wetenschap van de geheimen der ziel

Woord vooraf bij de eerste druk

De auteur heeft het tot zijn principe gemaakt om alleen te spreken of te schrijven over die dingen op het gebied van de geesteswetenschap waarbij hij - op een naar zijn inschatting gepaste manier - zou weten te beschrijven wat de hedendaagse wetenschap daarover weet.
Wie als filosoof dit boek leest zal zich afvragen: "Is aan de auteur al het wetenschapsfilosofische werk van deze tijd voorbij gegaan?"  Men kan wel degelijk weten hoe bijvoorbeeld in de zin van Kant de grenzen van de mogelijke kennis hier worden overschreden. Dit kan men weten en juist daarom kan men zich gerechtigd voelen deze uiteenzetting te schrijven.
Zelfs zo'n beoordelaar is volkomen begrijpelijk voor de auteur, die de inhoud van dit boek zonder meer ziet als de uitwas van een op hol geslagen fantasie. Het boek laat echter zien hoe redelijk denken een toetssteen kan en moet worden voor hetgeen uiteengezet wordt.
Hoewel het boek gaat over onderzoek dat niet kan worden gedaan door het aan de zintuigen gebonden verstand, wordt er niets gepresenteerd dat niet kan worden begrepen door de onbevooroordeelde rede en het gezonde gevoel van waarheid van elke persoonlijkheid die gebruik wil maken van deze gaven van de mens.
De auteur wil vooral lezers die de moeite nemen dat wat meegedeeld wordt te toetsen aan de kennis van hun eigen ziel en door de ervaringen van hun eigen leven.

december 1909

Woord vooraf bij de vierde druk

[Ik] wil steeds weer proberen om de misverstanden te laten zien waarop het geloof is gebaseerd dat de menselijke kennis niet in staat is om door te dringen tot de bovenzinnelijke werelden; de diepten van het zielenleven gaan niet mee met dit zelfbedrog.

Het kenvermogen van de mens kan worden versterkt, kan krachtiger worden. De middelen voor de versterking van het kenvermogen zijn innerlijke, zuivere activiteiten van de ziel. Het gewone zielenleven is gebonden aan de werktuigen van het lichaam; het versterkte zielenleven maakt zich daarvan vrij.
Op tal van plaatsen heeft de auteur gevoeld hoe gebrekkig de middelen blijken te zijn die hem bij deze uiteenzettingen ten dienste staan in vergelijking met wat het bovenzinnelijk onderzoek laat zien. De ervaringen wijken zo sterk af van alle ervaringen op zintuiglijk gebied dat de voorstelling een voortdurende worsteling vraagt om tot een bevredigende weergave daarvan te komen.

Ik streefde ernaar om de aard van de innerlijke zielsprocessen te illustreren, waardoor het kenvermogen zich bevrijdt van de beperkingen van de zintuigen en zich geschikt maakt voor de ervaring van de bovenzinnelijke wereld.

De geesteswetenschappelijke scholing van de ziel streeft naar objectieve ervaringen, waarvan de waarheid innerlijk wordt gevonden, maar waarvan juist daarom de universele geldigheid worden doorzien.

Juni 1913

Voorwoord bij de zevende tot vijftiende druk

Voor deze nieuwe druk heb ik het eerste hoofdstuk ‘Karakter van de occulte wetenschap’ bijna geheel opnieuw vormgegeven. Het bewijzende karakter van bovenzinnelijke inzichten kan zich door de beschrijving ervan niet zo opdringen als dat bij het beschrijven van samenhangen uit de zintuiglijke werkelijkheid het geval is.

Mei 1920

Voorwoord bij de zestiende tot twintigste druk

De inhoud van het geestelijk schouwen kan alleen worden weergegeven in beelden (Imaginaties) waardoor Inspiraties kunnen spreken die afkomstig zijn van een Intuïtief ervaren geestelijk wezen.

Bij het streven naar geestelijke kennis is alles doortrokken van een intieme ziels-ervaring. Niet alleen de geestelijke waarneming zelf, maar ook het begrip dat het niet-waarnemende gewone bewustzijn de resultaten van het schouwen tegemoet brengt.

Om echter zo'n begrip mogelijk te maken, moet degene die de geestelijk waarnemingen uiteenzet, zijn waarnemingen in goede gedachtevormengieten, zonder hun imaginatieve karakter binnen deze vorm te verliezen.

Dit stond allemaal voor mijn ziel toen ik dit boek uitwerkte.

Ik streefde er bewust naar om geen "populaire" voorstelling te geven, maar een die het nodig zou maken om met de juiste denkinspanning de inhoud eigen te maken. Ik heb mijn boeken dus zo'n karakter gegeven dat het lezen ervan al het begin is van de scholing van de geest. Want de kalme, nuchtere inspanning van het denken die bij het lezen noodzakelijk is, versterkt de zielskrachten en stelt ze in staat om dichter bij de geestelijke wereld te komen.

Mijn kennis van het spirituele, daarvan ben ik me volledig bewust, is het resultaat van eigen waarneming. Om ze mee te kunnen delen, zou het gebruik van woorden nodig zijn. Later zocht ik dan in oudere voorstellingen van de geestelijke wereld naar woorden om het nog woordloze uit te kunnen drukken. Ik heb deze woordaanduidingen vrij gebruikt, zodat ze in mijn gebruik nauwelijks samenvallen met wat ze betekenden daar waar ik ze vond.

10 januari 1925

Karakter van de occulte wetenschap

Terwijl de natuurwetenschap op zintuiglijk gebied stopt met haar manier van onderzoek en denken, wil de occulte wetenschap de activiteit van de ziel die ze bij het onderzoek van de natuur ontplooit als een soort zelfopvoeding van de ziel opvatten en het resultaat daarvan toepassen op het niet-zintuiglijke gebied.

Men leert inzien dat voor de natuurwetenschappelijke beschrijving "bewijzen" iets is dat als het ware van buitenaf komt. Maar in het geestelijkwetenschappelijk denken ligt de activiteit die de ziel in het wetenschappelijk denken toepast op het bewijs al in het zoeken naar de feiten. Deze kunnen niet worden gevonden, tenzij de weg ernaar toe al een bewijzende is.

Alle occulte wetenschap moet voortkomen uit twee gedachten. De eerste is dat er een in eerste instantie voor de zintuigen en het aan de zintuigen gebonden denken verborgen wereld is achter de zichtbare wereld. De tweede, dat het mogelijk is voor een mens om door te dringen in deze verborgen wereld door het ontwikkelen van  vermogens die in hem sluimeren.

In hogere zin betekent het een verzwakking van het leven, zelfs een mentale dood, wanneer de mens zich gedwongen voelt om zich af te keren van het bovenzinnelijke, of om het te ontkennen. Het is zeker waar dat iedereen uit zichzelf het inzicht moet halen in deze dingen, maar het is ook een feit dat alle mensen die daarin ver genoeg gaan tot dezelfde, en niet tot verschillende inzichten komen. Juist door echte occulte waarnemingen wordt de mens er zeker van dat vanuit een hoger gezichtspunt het wel en wee van het individu intiem verbonden is met het heil of het onheil van de hele wereld. Kennis die onthult wat verborgen is, is in staat alle hopeloosheid, alle onzekerheid van het leven, alle wanhoop, kortom, alles te overwinnen wat het leven verzwakt en het onbekwaam maakt voor de diensten die het in de hele wereld te brengen heeft. Dit streven versterkt de mens uit juist die levensbronnen waar hij, volgens zijn geestelijke en spirituele deel, vandaan komt.

Als men berichten uit de zintuiglijke wereld leest, leest men over iets. Maar als men berichten leest over bovenzinnelijke feiten in de juiste zin, dan wordt men ondergedompeld in de stroom van het geestelijk bestaan. Door de resultaten op te nemen, neemt men tegelijkertijd de eigen innerlijke weg op naar die resultaten. Als we deze dingen werkelijk denkend opnemen, dan zijn we al in deze wereld. We hoeven ons alleen nog maar te realiseren dat we al onopgemerkt hebben ervaren wat we dachten alleen maar als gedachten te ontvangen.  Men krijgt volledige duidelijkheid over de werkelijke aard van deze ervaring als men praktisch uitvoert wat in het tweede (laatste) deel van dit boek wordt beschreven als "weg" naar de bovenzinnelijke kennis.

Elke wetenschapper gebruikt bepaalde instrumenten en methoden. Het gereedschap maakt hij zelf door te verwerken wat de "natuur" hem geeft. De bovennatuurlijke kennis maakt ook gebruik van een instrument. Alleen dit gereedschap is de mens zelf. En dit instrument moet ook worden voorbereid tot hoger onderzoek. De capaciteiten en krachten die hem door "de natuur" worden gegeven, in eerste instantie zonder menselijk ingrijpen, moeten worden omgezet in hogere capaciteiten en krachten. Op deze manier kan de mens zichzelf een instrument maken voor het onderzoek van de bovenzinnelijke wereld.

Het wezen van de mens

Lichaam
De zintuigen en het daarop berustende verstand hebben slechts toegang tot een deel van wat in het bovenzintuiglijke onderzoek als mens wordt begrepen, namelijk tot het fysieke lichaam. In het fysieke menselijke lichaam zijn dezelfde stoffen en krachten actief als in de minerale wereld, maar hun werkzaamheid is gedurende het leven in een hogere dienst gesteld. Ze hebben alleen hetzelfde effect als in de minerale wereld wanneer de dood is ingetreden.

Wat verhindert dat de fysieke stoffen en krachten tijdens het leven hun eigen weg gaan kan het bovenzinnelijk schouwen kan als een onafhankelijk lid van de mens waarnemen. Laat dit onafhankelijke lid het "etherische lichaam" of "levenslichaam" worden genoemd.
Het etherische lichaam dat overal in het fysieke lichaam doordringt is te zien als een soort architect van het laatste. Alle organen worden in hun vorm gehouden door de stromingen en bewegingen van het etherische lichaam. Dit etherische lichaam heeft nu de mens gemeen met de planten, zoals hij het fysieke lichaam gemeen heeft met de minerale wereld. Alle levende wezens hebben een etherische lichaam.

Als uit verborgen, mysterieuze bronnen, stijgen bij het ontwaken bewuste krachten op uit de bewusteloosheid van de slaap. Wat het leven steeds weer uit de staat van bewustelooshei wekt, is in de zin van de bovenzinnelijke kennis het derde lid van het menselijk wezen. Men kan dit het astrale lichaam noemen. De krachten van het etherische lichaam kunnen zich uit zichzelf met  het licht van het bewustzijn doorstralen. Een wakend etherisch lichaam wordt doorstraald door een astraallichaam.
Net zoals de mens zijn fysieke lichaam gemeen heeft met de mineralen, zijn etherische lichaam met de planten, is hij in relatie tot zijn astrale lichaam verwant met de dieren.

De mens kan wensen en verlangens creëren waarvan voor het ontstaan noch binnen noch buiten zijn lichaam voldoende aanleiding is. Alles wat binnen dit gebied valt moet een speciale bron geven. En deze bron kan men in de zin van het  bovenzinnelijk onderzoek in het “ik” van de mens vinden. Het "ik" kan dus worden gezien als het vierde lid van de mens.

Net zoals het fysieke lichaam uiteenvalt, als het niet door het etherische lichaam bij elkaar wordt gehouden; net zoals het etherische lichaam in bewusteloosheid verzinkt, als het niet door het astrale lichaam wordt doorstraald, zo zou het astrale lichaam het verleden steeds weer in de vergetelheid moeten laten verzinken, als dat niet door het "ik" voor het heden werd behouden. Wat de dood is voor het fysieke lichaam, de slaap voor het etherische lichaam, is voor het astrale lichaam het vergeten. Men kan ook zeggen dat het leven behoort tot het etherische lichaam, het bewustzijn tot het astrale lichaam en het geheugen tot het ik.

Ziel

De eenvoudigste vorm van herinnering is wanneer een persoon een object waarneemt en dan, na zich van het object te hebben afgekeerd, de voorstelling ervan opnieuw kan opwekken. Het astrale lichaam heeft de uiterlijke indruk van het object bewust gemaakt. Maar de kennis van het object zou slechts duren zolang het object aanwezig is, als het ik de kennis niet in zichzelf zou opnemen en tot zijn bezit zou maken. Men spreekt van het astrale lichaam zolang men het ontstaan van een weten van een aanwezig object voor ogen heeft. Maar datgene wat de duur aan kennis geeft, wordt ziel genoemd.

Men kan, als men een precieze beschrijving wil, spreken van het astrale lichaam van de mens als het zielenlichaam, en van de ziel, voor zover die ermee verenigd is, als de gewaarwordingsziel.
Het ik stijgt naar een hoger niveau van zijn wezen wanneer het zijn activiteit richt op wat het uit de kennis van de objecten tot zijn bezit heeft gemaakt. Het deel van de ziel waar het hier om gaat kan men de verstands- of gemoeds noemen.

"Ik ben een ik alleen voor mezelf; voor elke andere ben ik een jij; en elke andere is een jij voor mij." Dit feit is de uiterlijke weergave van een diepe, betekenisvolle waarheid. Het eigenlijke wezen van het "ik" is onafhankelijk van alle het uiterlijke. Niets uiterlijks heeft toegang tot dat deel van de menselijke ziel dat hiermee aangewezen wordt. Net zoals de gewaarwordingsziel en de verstandsziel in de buitenwereld leven, zo duikt een derde deel van de ziel in het Goddelijke onder, wanneer het zijn eigen wezen gaat waarnemen. De wetenschap van het occulte kan dit derde lid van de ziel de bewustzijnsziel noemen. En in die zin bestaat de ziel uit drie geledingen: de gewaarwordingsziel, de verstandsziel en de bewustzijnsziel.

Als het "ik" zichzelf wil waarnemen, dan kan het zich niet zomaar overgeven; het moet zijn wezen eerst vanuit zijn eigen diepte door middel van innerlijke activiteit naar boven brengen om er een bewustzijn van te hebben. Met de waarneming van het "ik", met de bezinning op zichzelf, begint een innerlijke activiteit van het "ik". De kracht, die het "ik" in de bewustzijnsziel laat verschijnen, is dezelfde als die zich in de rest van de wereld manifesteert.

Geest

Wat doordringt als een druppel in de bewustzijnsziel, dat is wat de wetenschap van het occulte de geest noemt. Zo is de bewustzijnsziel verbonden met de geest, die het verborgene is in alles het openbare. Als de mens nu de geest in alle openbaringen wil vatten, moet hij dat op dezelfde manier doen als hij het ik in de bewustzijnsziel vat. Hij moet de activiteit die hem ertoe bracht om dit ik waar te nemen op de uiterlijke wereld topassen. Hierdoor ontwikkelt hij zich tot hogere niveaus van zijn wezen. Hij vernieuwt de geledingen van zijn lichaam en ziel. Het eerste is dat hij zich ook nog eigen maakt wat in de lagere delen van zijn ziel verborgen ligt. En dit gebeurt door het werken aan zijn ziel dat vanuit het ik uitgaat. Hoe de mens bij dit werk betrokken is, wordt duidelijk als men een mens die nog steeds gericht is op lage verlangens en zogenoemde zinnelijke lusten vergelijkt met een nobele idealist. De laatste komt uit de eerste voort, wanneer die zich van bepaalde lagere neigingen afkeert en zich op hogere neigingen toelegt. Hij heeft daarmee zijn ziel veredeld en vergeestelijkt vanuit het ik.

Het ik is meester geworden in het zielenleven. Dit kan zo ver gaan dat er in de ziel geen verlangen, geen lust te ontwaren is, zonder dat het ik de kracht is die dat toelaat. Op deze manier wordt de hele ziel dan een openbaring van het ik, zoals het vroeger alleen de bewustzijnsziel was. In principe bestaat al het culturele leven en al het geestelijk streven van de mens uit werk dat gericht is op deze heerschappij van het ik. Iedereen die op dit moment leeft, is bezig met dit werk. Door dit werk gaat zijn we op weg naar hogere niveaus van de mens. Daardoor ontwikkelt de mens nieuwe geledingen van zijn wezen.

Niet alleen kan de mens door het werk aan zijn ziel vanuit het ik zich tot heerser van de ziel maken, maar hij kan dit werk ook uitbreiden. Hij kan verder rijken naar het astrale lichaam. Hierdoor neemt het ik bezit van dit astrale lichaam door zich te verenigen met zijn verborgen wezen. Dit door het ik veroverde en getransformeerde astrale lichaam, kan het Geestzelf genoemd worden.

Het karakter en het temperament van een persoon veranderen ook onder invloed van zijn ik. De krachten die deze verandering van karakter of temperament veroorzaken behoren tot het verborgen gebied van het etherische lichaam. Daar is in de mens nog een andere geleding van zijn wezen verborgen, die het ik steeds meer uitwerkt. Deze geleding kan het tweede deel van de geest worden genoemd, namelijk de levensgeest.

Een eerste aanzet van de invloed van het ik op het fysieke lichaam is te zien wanneer, door bepaalde ervaringen, bijvoorbeeld blozen of bleek worden optreedt. Wanneer nu door de activiteit van het ik in de mens veranderingen optreden met betrekking tot de zijn invloed op het fysieke lichaam, dan is het ik werkelijk verenigd met de verborgen krachten van dit fysieke lichaam. Men kan dan zeggen dat het ik door zo'n activiteit op het fysieke lichaam werkt.

Voor het gewone leven kan dit werk van het ik op het fysieke lichaam alleen tot het bewustzijn komen met een zeer laag niveau van helderheid. Dit verheldert pas wanneer de persoon, onder invloed van de bovenzinnelijke kennis, dit werk bewust ter hand neemt. Dan wordt het duidelijk dat er nog een derde geestelijke geleding is in de mens. Het is datgene wat geestmens genoemd kan worden in tegenstelling tot de fysieke mens.

Zo verschijnt de mens voor de occulte wetenschap als een wezen dat is samengesteld uit verschillende geledingen. Lichamelijk zijn: het fysieke lichaam, het etherische lichaam en het astrale lichaam. Geledingen van de ziel zijn: gewaarwordingsziel, verstandsziel en bewustzijnsziel. In de ziel verspreidt het ik zijn licht. Geestelijk zijn: geestzelf, levensgeest en de geestmens.

Men kan het astrale lichaam en de gewaarwordingsziel samenvatten als één geleding, evenals de bewustzijnsziel en het geestzelf, en kan de verstandsziel, omdat ze deel heeft aan de aard van het ik, gewoonweg ik noemen. Dan krijgt men zeven geledingen van de mens: 1. fysiek lichaam; 2. etherisch lichaam of levenslichaam; 3. astraal lichaam; 4. ik; 5. geestzelf; 6. levensgeest; 7. geestmens.

©2021 - Steiner in essentie
Van Duijvenvoordestraat 2
4835 CB Breda
076-7850102