Steiner in essentie

Antroposofie ontmoeten, begrijpen, doen.


AntroposofiePublicatiesLandbouwcursus

Landbouwcursus 2 Neem de mens als uitgangspunt

Ieder landbouwbedrijf is een eigen individualiteit.

Tweede voordracht 10 juni 1924
Neem de mens als uitgangspunt

Een landbouwbedrijf verwerkelijkt zijn ware aard het beste als het kan worden opgevat als een soort individualiteit, als het mogelijk is om alles wat voor de productie nodig is, binnen het eigen landbouwbedrijf te hebben. Alles wat in een bedrijf van buitenaf moet worden aangevoerd, aan bemestingsmiddelen en dergelijke, dat zou als een genees-middel moeten worden beschouwd. We moeten een begrip krijgen van het noodzakelijke gesloten karakter van een landbouwbedrijf, willen we de dingen reëel kunnen inrichten.
De bodem wordt gewoonlijk als iets mineraals beschouwd, waar hoogstens door humusvorming of mest nog iets organisch in terechtkomt. Maar de bodem draagt op zichzelf al iets plant-aardigs in zich. Ze heeft een zeker leven. Er is zelfs iets astraals in de bodem werk-zaam. Dit innerlijk leven is verschillend in de zomer en in de winter.

De bodem is een orgaan in het totaal aan groeiend leven. Dat orgaan kunnen we vergelijken met het middenrif van de mens. We krijgen een goede voor-stelling van de bedrijfsindividualiteit als we zeggen: het hoofd is onder de grond, en wij en alle dieren leven in de buik van die individualiteit.
We zien een voortdurende, levendige wisselwerking tussen boven-de-aarde en onder-de-aarde. De activiteit die boven de aarde plaatsvindt is direct afhankelijk van maan, Mercurius en Venus, die de zon in haar werking onder-steunen en modificeren. Terwijl de verre planeten op alles werken wat onder de aarde is. Wat uit de verten van de kosmos op de plantengroei inwerkt, werkt niet door rechtstreekse bestra-ling. Dat wordt eerst door de aarde opgenomen en dan teruggestraald naar boven. Via het kiezelhoudende zand komt het levensetherische en chemi-sche aspect in de bodem. Dat wordt bij de terugstraling werkzaam.
Er moet een voortdurende wissel-werking zijn tussen wat door het kiezel uit de kosmos wordt binnengehaald, waarmee het ‘hoofd’ daar beneden moet worden onderhouden, en wat zich boven in de ‘buik’ afspeelt. Steeds moet wat daar beneden uit de kosmos wordt opgevangen naar boven kunnen stro-men. Daarvoor zorgt het kleiachtige in de bodem. Al het kleiachtige is eigenlijk het transportmiddel van de kosmische invloeden in de bodem van beneden naar boven.

Ook het terrestrische, het aardse, dat wat in de buik nog een soort uitwendige vertering ondergaat, dat moet weer naar beneden worden getrokken in de bodem, zodat er werkelijk een wissel-werking ontstaat. Het kalkgehalte van de bodem en de fijne verdeling van kalksubstanties in een homeopathische dosis direct boven de grond, dat dient ertoe om het specifiek terrestrische weer aan de bodem toe te voeren.

Men zal leren dat er een groot verschil bestaat tussen de warmte die zich boven de grond bevindt, de warmte die tot het domein van zon, Venus, Mercurius en maan behoort, en de warmte die zich in de bodem doet gelden, die onder invloed van Jupiter, Saturnus en Mars staat. De warmte boven de grond kunnen we dood noemen, de warmte onder de grond levend. Zo is het met warmte en met lucht. Ze krijgen een vleug van leven mee wanneer ze in de aarde worden opgenomen.

Anders is het met water en met het aardse, vaste element zelf. Die worden in de aarde doder dan ze daarbuiten zijn. Die verliezen iets van hun uiterlijke leven, maar daardoor worden ze juist vatbaar voor de verste kosmische krachten. De minerale substanties moeten zich emanciperen van wat boven de grond gaande is, willen ze vatbaar worden voor die verste kosmische krachten. Dat kunnen ze het beste ongeveer in de tijd tussen 15 januari en 15 februari, als in de aarde de grootste vormkracht kan worden ontplooid. Daarvoor, wanneer de mineralen bij wijze van spreken aanstalten maken om in die gevormde, kristallijne toestand over te gaan, stralen ze de krachten uit die belangrijk zijn voor het plantenleven. Ongeveer in de periode van november tot december is de tijd waarin het gebeuren onder het aardoppervlak een buitengewone invloed krijgt op de plantengroei. Bij een bodem die uit zichzelf niet gemakkelijk naar boven draagt wat in dit deel van de winter naar boven toe moet werken, is het goed om wat klei toe te voegen.

Het zaad, waaruit zich het embryonale leven ontwikkelt, wordt gezien als een gecompliceerd moleculair geheel. Bij de opbouw van het aardse eiwit wordt inderdaad de moleculaire structuur tot de hoogste complexiteit gevoerd. Maar uit die hoogste complexiteit zou nooit een nieuw organisme kunnen voortkomen. Die complexiteit valt weer uit elkaar en eindigt in een kleine chaos. Wanneer het zaad tot de hoogste complexiteit is gebracht en vervallen is tot kosmisch stof en die kleine chaos overblijft, dan begint de omringende kosmos op het zaad in te werken, drukt zich erin af en bouwt uit die kleine chaos de plant op. We krijgen in het zaad een afbeelding van de kosmos. Iedere keer wordt in de chaos van het zaad vanuit de hele kosmos het nieuwe organisme opgebouwd.
Op het ogenblik dat het zaad in de aarde wordt geplant, werkt het uiterlijke van de aarde heel sterk op het zaad in. Op dat ogenblik is het doordrongen van het verlangen om het kosmische te verloochenen, om te woekeren. Dat wat boven de grond werkt wil die vorm niet vasthouden. We moeten, tegenover dat tot chaos brengen, nu het aardse in de plant brengen. Dat kan alleen gebeuren door het leven dat al op de aarde aanwezig is bij het plantenleven in te voegen. De mens wordt daarbij geholpen door de humus. Humusvorming berust erop dat wat uit het plantenleven afkomstig is, opgenomen wordt door het proces van de natuur.

Wat nog niet tot chaos is gekomen wijst het kosmische af. Wordt dat nu meegenomen in de plantenteelt, dan houden wij het eigenlijk aardse in de plant vast. Dan werkt het kosmische alleen in de stroom die opstijgt en tenslotte weer tot zaadvorming overgaat. Daartegenover werkt het aardse in de blad en bloemontwikkeling. Een plant groeit vanuit de wortel omhoog. Aan het eind van de stengel ontwikkelt zich het zaadj Bladen en bloemen breiden zich uit. Wat in het blad en in de bloem vormgeving en opvulling met aardse materie is, dat is aards.
Daartegenover staat het zaad, dat zijn hele kracht door de stengel ontplooit en dat plantenblad en bloem doorstraalt met de kracht van de kosmos. De groene bladeren dragen in hun vorm, in hun dikte, in hun groene kleur de kenmerken van het aardse. Maar zij zouden niet groen zijn als er niet ook de kosmische kracht van de zon in leefde. In de kleurige bloem leeft niet alleen de kosmische kracht van de zon, maar ook de ondersteuning van de verre planeten Mars, Jupiter en Saturnus.

Wat daar in de tint van de bloem verschijnt, dat werkt nu als kracht bijzonder sterk in de wortel. Daar zien we dat wat in de verre planeten leeft en stuwt, ook in de bodem werkt. In de wortel zit het kosmische en in de bloem het meest het aardse. Alleen in de fijnste nuancering, in de kleuring, is daar het kosmische te vinden. Moet het aardse daarentegen in de wortel leven, dan schiet het in de vorm. Want de plant ontleent haar vorm aan datgene wat in het aardse domein kan ontstaan. Dat wat voor uitbreiding van de vorm zorgt is aards. Wanneer nu de wortel zich splitst, zich vertakt, dan werkt daarin het aardse naar beneden zoals in de kleur het kosmische naar boven werkt. Dat wil zeggen dat kosmische wortels juist die wortels zijn die compact zijn gevormd.
Kijkt u maar eens naar die planten waarbij het aardse door het kalkachtige sterk in de wortel wordt getrokken: het zijn planten die hun wortels vertakt naar alle kanten laten schieten, zoals de goede voedergewassen doen, bijvoorbeeld esparcette. Iets van planten begrijpen betekent: aan de vorm en aan de bloemkleur van een plant kunnen zien hoe daarin het kosmische en het aardse werkzaam zijn.

Als we willen dat de kosmische kracht niet helemaal de hoogte in schiet tot in het bloem- en vruchtgebied, maar beneden blijft, als we willen dat stengel- en bladvorming als het ware in de wortelvorming worden vastgehouden, dan moeten we zo’n plant in een zanderige bodem zetten. In zo’n bodem wordt het kosmische onderschept.

Het ABC van de hele plantenbeoordeling is dat we steeds kunnen zeggen: wat is aan een plant kosmisch, wat is aan een plant terrestrisch, aards? Hoe kunnen we de bodem door zijn specifieke kwaliteiten geneigd maken om het kosmische dichter te maken en het meer bij de wortel en bij het blad vast te houden? Hoe kunnen we het ijler maken, zodat het omhoog wordt gezogen tot in de bloemen, om die kleur te geven, of tot in de vruchtzetting, om die met een fijne smaak te doortrekken?

De beste ‘kosmische kwalitatieve analyse’ voltrekt zich in het samenleven van een bepaald met planten begroeid gebied met wat er aan dieren in dit gebied woont. Als je op een bepaald landbouwbedrijf de juiste hoeveelheid koeien, paarden en andere dieren hebt, zullen deze dieren samen precies zoveel mest geven als voor het bedrijf nodig is. Precies zoveel als nodig is om aan dat wat chaos is geworden iets van een tegenwicht te bieden. Dat komt doordat de dieren de juiste hoeveelheid eten van wat de aarde aan planten te bieden heeft. Daardoor produceren ze ook in hun organische proces zoveel mest als nodig is om aan de aarde terug te gegeven.

Het dierlijk organisme is volledig in het grote verband van de natuur opgenomen. Vandaar dat het dier, in de vormen en kleuren die het vertoont en ook in de structuur en consistentie van zijn substantie, van de snuit naar het hart toe de werkingen van Saturnus, Jupiter en Mars laat zien, in het hart de zonnewerking en achter het hart, in de richting van de staart, de werkingen van Venus, Mercurius en maan. Aan de vormen van het skelet kun je zien: in de bouw en ontwikkeling van de kop werkt bij uitstek de bestraling door de zon zoals die bij de bek naar binnen stroomt. Het door de maan teruggestraalde zonlicht ontplooit zijn hoogste werkzaamheid wanneer het op het achterste deel van het dier valt. De invloed van de zon gaat tot het hart. Bij de ontwikkeling van de kop en van het bloed zijn Mars, Jupiter en Saturnus actief. Van het hart naar het achterdeel wordt de invloed van de maan ondersteund door die van Mercurius en Venus.

Wanneer u het dier kantelt en zo opricht dat het zijn kop in de aarde steekt en zijn achterlijf naar boven strekt, krijgt u dezelfde situatie waarin zich de bedrijfsindividualiteit bevindt. Daarmee hebt u de mogelijkheid vanuit de vormentaal van het dier een relatie te vinden tussen wat het dier bijvoorbeeld aan mest levert en wat de aarde nodig heeft waarop het dier zijn voer vindt.