Steiner in essentie

Antroposofie ontmoeten, begrijpen, doen.


AntroposofiePublicatiesLandbouwcursus

Landbouwcursus 4 Bemest vanuit in het levende

Ondersteunende bemesting met koemest- en kiezelpreparaat.

Vierde voordracht 12 juni 1924
Bemest vanuit in het levende

Wie op het gebied van de landbouw zo te werk gaat als de gangbare weten-schap, doet hetzelfde als iemand die het wezen van de mens wil leren kennen door uit te gaan van zijn pink en van daaruit een beeld opbouwt van het geheel. Wij moeten een wetenschap stellen, die zich op de grote kosmische verbanden richt. Dat geldt zonder meer voor de landbouw, vooral wanneer het gaat om het bemestingsvraagstuk.

“In mest zitten de voedingsstoffen voor de planten,” zegt men. En men denkt dat het belangrijkste van de voeding datgene is wat we dagelijks eten. Maar het grootste deel van wat we dagelijks eten dient ervoor om de krachten die erin besloten zijn aan het lichaam af te geven. Het gaat erom of wij met de voedingsmiddelen de vitaliteit van die krachten op de juiste manier in ons kunnen opnemen. Want deze vitaliteit hebben wij nodig wanneer we lopen of wanneer we werken. Alles wat het lichaam nodig heeft om substanties in zich af te zetten, dat wordt voor het allergrootste deel opgenomen via de zintuigorganen, via de huid, via de ademhaling. Wat het lichaam substan-tieel moet opnemen, dat neemt het in uiterst fijne dosering op en verdicht het in het organisme, zo sterk dat we het tenslotte in de vorm van nagels, haren enzovoort moeten afknippen.

Laten we een boom eens vergelijken met een hoop aarde, die buitengewoon humusrijk is, die buitengewoon veel, min of meer in afbraak verkerend plantaardig, of dierlijk materiaal bevat. Aarde die van humusachtige substanties is doortrokken heeft etherisch leven in zich. Die aarde is op weg om tot omhulling voor planten te worden. Als op een plek op aarde een bepaald niveau de grens is tussen wat boven en wat onder de aarde is, dan zal alles boven dit niveau een neiging tot leven vertonen. Als u aarde vruchtbaar wilt doorwerken met humusachtige sub-stantie of met een afvalsubstantie die in ontbinding verkeert, dan zal u dat beter lukken als u aardhopen opzet en die substantie daar doorheen werkt. Dan zal de aarde zelf de neiging vertonen om innerlijk levend te worden, ze zal plantkarakter krijgen. Hetzelfde proces speelt zich af bij de vorming van een boom. Een boom omkleedt zich met bast, met schors, enzovoort. De aarde wordt opgestulpt, omkleedt de plant, legt haar etherisch leven om de boom. Ik zeg dat om bij u een voorstelling op te roepen van de innige verwantschap die er is tussen wat binnen de contouren van een plant ligt opgesloten en de bodem die de plant omgeeft. Het leven zet zich met name vanuit de wortels van de plant voort in de bodem. We moeten weten dat bemesten een levend maken van de aarde moet betekenen. De plant brengt gemakkelijker op wat voor de vruchtvorming nodig is wanneer ze al direct in het leven wordt ingebed.

We moeten leren een soort persoonlijke verhouding te krijgen tot alles wat bij de landbouw komt kijken, in de eerste plaats tot mest. Iedere vorm van leven heeft altijd een buitenkant en een binnenkant, gescheiden door een soort huid. Die binnenkant heeft niet alleen krachtstromen die naar buiten gaan. Het inwendige leven van een organisme heeft ook krachtstromen die van de huid naar binnen gaan, die terug worden gedrongen. Alles wat aan krachten en werkingen in het inwendige van een organisme optreedt en wat daarbinnen het leven opwekt en gaande houdt, dat alles moet inwendig ruiken, stinken. Leven is in essentie, dat alles wat geur verspreidt zodra het vervliegt, bij elkaar wordt gehouden, dat de dingen die ruiken binnenin worden vastgehouden.

Bemesten moet betekenen dat we de bodem een zekere mate van vitaliteit meegeven. En dat stikstof zich zodanig in de bodem kan uitbreiden dat het leven met behulp van die stikstof naar bepaalde krachtlijnen toe wordt gedragen: in de bodem onder de plant. Bij planten die onder invloed staan van minerale mest, ziet u een groeivorm die alleen ondersteund wordt door een aangewakkerde waterhuishouding, niet door een gevitaliseerde aarde.

Alles wat in de composthoop terechtkomt, brengt etherisch leven, etherische krachten mee, en ook astrale. De invloed die het astrale op stikstof heeft wordt afgeremd wanneer het etherische te sterk woekert. Brengt u ongebluste kalk in de composthoop, dan is het gevolg dat het etherische wordt opgenomen door de kalk, daarmee ook de zuurstof wordt opgezogen en het astrale op een evenwichtige manier geactiveerd wordt. Daarmee bereiken we dat, wanneer we met compost bemesten, de bodem iets wordt meegegeven wat de neiging heeft het astrale heel sterk met de aarde te verbinden. De aarde wordt in hoge mate geastraliseerd en via dat geastraliseerde zodanig met stikstofhoudende materie doordrongen, dat wat nu ontstaat werkelijk sterk lijkt op een proces in het menselijk organisme, dat plantkarakter vertoont, maar zo, dat het er weinig waarde aan hecht om tot vruchtvorming te komen en als het ware bij de bladontwikkeling blijft staan. Met name hebben wij dit proces dat wij nu aan de aarde meedelen, in onszelf nodig om de voedingsstoffen naar behoren tot beweeglijkheid aan te zetten. Tot eenzelfde beweeglijkheid zetten wij nu ook de bodem aan wanneer we die op de beschreven manier behandelen. En daardoor maken wij de bodem bij uitstek geschikt voor gewassen die bijvoorbeeld door het vee kunnen worden gegeten.

Bij de composthoop kan het gemakkelijk gebeuren dat hij zijn astraliteit naar alle kanten uitstraalt. Nu gaat het erom dat we zo’n hoop zo weinig mogelijk laten ruiken. Dat bereiken we als we in dunne lagen werken en daar overheen turfmolm leggen. Dan wordt bij elkaar gehouden wat anders zou vervliegen. We moeten het hele landbouworganisme benaderen vanuit de overtuiging dat we het leven en het astrale naar alle kanten over de dingen moeten uitgieten.

Hebt u er wel eens over nagedacht waarom koeien hoorns hebben of bepaalde dieren een gewei? Iets levends hoeft niet alleen naar buiten gerichte krachtstromen te hebben, maar kan ook naar binnen gerichte krachtstromingen hebben. Stelt u zich nu eens een soort organisme voor dat enkel naar buiten gaande krachtstromen heeft. Het resultaat zou een klompje leven zijn, een klompig soort organisme. Maar zo is een koe niet geschapen zoals u weet, want een koe heeft hoorns, ze heeft hoeven. Op die plaatsen waar een hoef, een hoorn groeit, daar wordt een plek gecreëerd die de stromingen bijzonder krachtig naar binnen stuurt. Bij het gewei gaat het er om dat bepaalde stromen juist een stuk naar buiten worden geleid. Een hert heeft een sterke communicatie met zijn omgeving, doordat het stromen naar buiten stuurt en meeleeft met zijn omgeving, en daardoor alles opneemt wat organisch in zijn zenuwen en zintuigen werkt. Een koe heeft hoorns om daarmee diep naar binnen te sturen wat astraal-etherisch vormend moet werken, wat moet doordringen tot in de diepte van het spijsverteringsorganisme. Een hoorn is iets wat door zijn specifieke karakter heel geschikt is om de krachten van het leven en de astrale krachten terug te stralen naar het inwendige leven.

Gewone stalmest is wat bij het dier is binnengekomen aan uiterlijke voedingsstoffen, en dan weer wordt uitgescheiden. Het heeft zich vervuld van astrale en van etherische krachten. Op astraal niveau heeft het zich doordrongen met krachten die stikstofdragend zijn, op etherisch niveau met krachten die zuurstofdragend zijn. Als we deze massa in de een of andere vorm in de aarde brengen, dan geven we daarmee de aarde iets etherisch-astraals dat zijn eigenlijke plaats in de buik van het dier heeft en daar in de buik van het dier krachten opwekt die plantaardig zijn. Mest draagt etherisch en astraal leven uit het inwendige van de organen naar de buitenwereld toe. Het werkt vitaliserend en ook astraliserend op de bodem, in het aardeelement. Het heeft de kracht om het anorganische karakter van de aarde te overwinnen. We kunnen mest nemen, daarmee een koehoorn volstoppen en die koehoorn begraven. Daardoor conserveren wij in die hoorn de krachten die hij gewend was in de koe zelf uit te oefenen, namelijk het terugstralen van het vitaliserende en het astrale. Doordat de koehoorn door aarde omgeven is, straalt alles wat in de zin van etherisering en astralisering werkt, zijn inwendige holte binnen. En met deze krachten, die alles aantrekken uit de omringende aarde wat levenschenkend en astraal is, wordt de mestinhoud van de koehoorn de hele winter door, dus wanneer de aarde het meest levend is, innerlijk gevitaliseerd. We krijgen daardoor een geconcentreerde, levenschenkende mestkracht in de inhoud van de koehoorn. Die kunt u gebruiken door wat u eruit haalt na die overwinteringstijd, te verdunnen met water en grondig met dat water te vermengen. We roeren zo snel langs de rand van de emmer, dat er in het centrum een krater ontstaat. Dan keren we de roerrichting om. Als we dat een uur blijven doen, krijgen we een grondige doordringing. Dan rest u alleen nog de taak om de vloeistof uit te sproeien over een geploegde bodem, zodat ze zich met de aarde verbindt. Als het u nu lukt om het gewone bemesten met deze vorm van ‘geestelijke mest’ te verbinden, dan zult u wel zien hoeveel vruchtbaars er uit deze zaak kan voortkomen.

Bij die maatregel kan direct een andere aansluiten. We nemen opnieuw koehoorns, vullen ze nu echter niet met mest, maar met tot poeder gewreven kwarts, of ook orthoklaas, veldspaat, maken daar een brij van en vullen daarmee de koehoorn. Die koehoorn laten we overzomeren, halen hem in de late herfst uit de grond en bewaren de inhoud tot het volgende voorjaar. U kunt een balletje zo groot als een erwt door roeren vermengen met een emmer water. Dat moeten we ook een uur lang roeren. Als u daarmee de planten zelf uitwendig bespuit, dan zult u zien hoe dat de werking die aan de andere kant via de koehoornmest uit de aarde komt, ondersteunt en aanvult. U zult zien hoe de koehoornmest van onderen opstuwt, het andere middel van boven trekt. Dat zou, met name bij zaadgewassen, prachtig kunnen werken.

Het onderzoek dat tegenwoordig wordt gedaan naar wat productief kan zijn voor de boer, dat onderzoekt uiteindelijk alleen op welke manier de productie financieel de meeste vruchten afwerpt. Maar de hoofdzaak is dat de dingen voor de mens, voor zijn bestaan zo gezond zijn als maar mogelijk is. Tot dit niveau kan die wetenschap van tegenwoordig niet komen, omdat ze de weg daarheen niet kent. Maar wat zo vanuit de geesteswetenschap wordt gezegd, heeft de hele huishouding van de natuur als uitgangspunt, daarom zijn ook de afzonderlijke dingen die worden aangegeven representatief voor het geheel. Overal in onze beschouwing wordt de mens tot grondslag genomen. Daaruit komen de wenken voort, die worden gegeven om de menselijke natuur op de beste manier te ondersteunen.