Geplaatst op

Nevenoefeningen

De zes nevenoefeningen vormen een populair onderdeel van de antroposofische aanwijzingen voor scholing en meditatie.

De zes nevenoefeningen betreffen het volgende:

  • Zeggenschap over je denken
  • Zeggenschap over je handelen
  • Zeggenschap over je gevoel
  • Positiviteit
  • Onbevangenheid
  • Harmonie

Het werkt goed om elk van de nevenoefeningen een tijd lang – bijvoorbeeld een maand – dagelijks te doen. Na die tijd ga je over tot de volgende oefening.

De naam nevenoefeningen verwijst ernaar dat de oefeningen bedoeld zijn om naast andere meditatie oefeningen te doen. Die andere meditatie oefeningen zijn gericht op het verkrijgen van hoger inzicht. De nevenoefeningen zorgen ervoor dat je bij het gaan van zo’n weg nuchter en gezond blijft.

Zeggenschap over je denken

Kies een eenvoudig voorwerp leg dat voor je neer, of houd het in je hand. Vorm nu een gedachte die bij dat voorwerp hoort. Knoop vervolgens een volgende gedachte daarbij aan die daarmee een zakelijk verband heeft. Vervolgens nog een en nog een … Als je merkt dat je afgedwaald bent – wat al snel kan gebeuren – keer dan met een nieuwe gedachte terug naar het voorwerp en begin opnieuw. Ga daar enige tijd mee voort, bijvoorbeeld vijf minuten of langer. Door deze oefening vermindert de vluchtigheid van het eigen denken.

Zeggenschap over je handelen

Neem je een eenvoudige, in wezen zinloze, zelf bedachte handeling voor; iets eenvoudigs dat je op een willekeurige plaats in een willekeurige omgeving kan doen. Het traditionele voorbeeld is om je zakdoek van de ene zak te verplaatsen naar de andere. Het is belangrijk om zelf iets te verzinnen, dus die zakdoek valt nu af. Kies een tijdstip in de toekomst waarop je je voorneemt die handeling uit te voeren. Mocht je het vergeten – wat zeker in het begin vaak kan gebeuren – voer dan die handeling alsnog uit. De oefening helpt je om dat wat je doet meer in de richting van wat je werkelijk wilt te sturen.

Zeggenschap over je gevoel

Neem de schommelingen in je gevoel waar. Zet je daarbij in om al te grote vreugde of verdriet, boosheid, enthousiasme, of welk gevoel dan ook te matigen. Het gaat dus om de ontwikkeling van een zekere gelijkmoedigheid. Door de inspanning om niet door je gevoelens meegesleurd te worden ga je juist sterker beleven dat jij het bent die het gevoel beleeft. Daardoor wordt je minder afhankelijk van wat je leuk vindt en wat je tegenstaat.

Positiviteit

Neem bij alles wat je hoort een houding van positiviteit in. Dat betekent dat je ook in onaangename dingen op zoek gaat naar wat daar goed in is. Rudolf Steiner geeft zelf als voorbeeld de legende van Jezus die met zijn discipelen langs het kadaver van een hond loopt. Als dan iemand zegt wat een schande het is dat dat hondenlijk daar langs de weg ligt te stinken, dan wijst Jezus op de prachtige tanden van het dier. Daar waar het stinkt is toch ook iets van schoonheid te vinden.

Bij het beoefenen van positiviteit kun je nog een stap verder gaan. Waar Jezus erop wijst dat naast de stank en de lelijkheid van het vergaan toch nog iets moois te vinden is is het ook mogelijk in het stinken zelf iets positiefs te zien. Bijvoorbeeld een waarschuwing dat daar iets ligt dat beter begraven kan worden.

Deze oefening wijst de weg naar begrip voor het andere, of de ander. Hoe komt de ander er toe te zijn zoals die is? Welke kwaliteit ligt daar in hem of haar verborgen?

Onbevangenheid

Breek met de gedachte dat iets onzinnig is of onbestaanbaar. Dat wil zeggen dat je in eerste instantie de instelling cultiveert dat wat je hoort – hoe onwaarschijnlijk ook – waar of zinnig zou kunnen zijn. Deze onbevangenheid opent wegen die anders door je vooroordeel of vooringenomenheid gesloten blijven.

Harmonie

Dit betreft de opgave om de vorige vijf oefeningen in een regelmatige afwisseling te doen.


In de zesde maand moet men dan proberen om alle vijf oefeningen systematisch en in een regelmatige afwisseling steeds weer uit te voeren. Zo ontstaat geleidelijk een mooi evenwicht in de ziel. Men zal met name merken dat eventuele ontevredenheid over de verschijning en de aard van de wereld volledig verdwijnt. Een stemming die alle ervaringen met open armen ontvangt, neemt bezit van de ziel; dit is geenszins onverschilligheid, maar stelt juist in staat om daadwerkelijk verbeterend en vooruitstrevend in de wereld te werken.
Rudolf Steiner, Seelenübungen I (GA 267)