“Welk idee heb je over wat een mens is; wat is je mensbeeld?” Deze vraag is bij de antroposofie essentieel.
Vanuit antroposofisch perspectief is de mens een geestelijk wezen met een eigen doel en ontwikkeling. De antroposofie heeft een spiritueel mensbeeld. Daarmee onderscheiden antroposofen zich van mensen met een mensbeeld dat voortkomt uit een materialistische visie. Daar is immers de mens een toevallig product van de evolutie. Dan wordt wat een mens is en doet in hoge mate bepaald door erfelijke factoren en de omgeving waarin hij/zij opgroeit. De antroposofie stelt daar tegenover de mogelijkheid van de – nog te ontwikkelen – vrije wil en het verloop van de biografie in samenhang met het eigen levenslot.
Afhankelijk van de context beschrijft de antroposofie de verschillende geledingen die samen de mens uitmaken op verschillende manieren.
Drieledig mensbeeld
De mens heeft een lichaam, een ziel en een geest. Het lichaam stelt hem in staat op aarde te werken. Het is de ziel waarmee de mens het bestaan op aarde gewaarwordt, beleeft, begrijpt en tot een eigen aangelegenheid maakt. Als zelfbewuste individualiteit en door een wezenlijk begrip van de wereld maakt de mens ook deel uit van een geestelijke wereld.
Deze drieslag van lichaam, ziel en geest – het drieledig mensbeeld – beschrijft Rudolf Steiner uitgebreid in zijn boek Theosofie.
Vierledig mensbeeld
Op de aarde onderscheiden we de volgende vier natuurrijken: het mineralenrijk, het plantenrijk, het dierenrijk en het mensenrijk.
Het stoffelijke, het minerale bij de mens is het fysieke lichaam. Als de mens sterft is dit wat op aarde, als lijk, als vervallend restant, overblijft.
Er bestaat iets in de mens dat voorkomt dat het fysieke lichaam tijdens het leven vervalt. Dat is het samenspel van krachten en processen die het leven verzorgen en in stand houden. Dit is het etherlichaam van de mens. Dat lichaam wordt ook wel het levenslichaam genoemd. Ook de levende planten hebben een etherlichaam.
De mens wordt zichzelf en de wereld gewaar, beleeft emoties, volgt wilsimpulsen. Dit komt tot stand door het astraallichaam van de mens. Ook dieren hebben een eigen astraallichaam.
Tenslotte heeft de mens een zelfbewustzijn en ervaart hij/zij zich als individualiteit. De mens doorloopt tijdens het leven een eigen biografie die hem van alle andere mensen onderscheidt. De mens benoemt zichzelf als ‘ik’ en beleeft zichzelf als ‘ ik’. Daarmee vormt de mens nog een eigen rijk, naast dat van de mineralen, de planten en de dieren.
In De wetenschap van de geheimen der ziel beschrijft Rudolf Steiner dit vierledig mensbeeld, inclusief de kosmische ontwikkeling daarvan.
Negen- en zevenledig mensbeeld
De indeling in lichaam, ziel en geest laat zich uitbreiden. Zowel lichaam, ziel, als geest hebben drie geledingen. Het lichaam omvat het fysieke lichaam, het etherlichaam en het astraallichaam. De ziel van de mens is onder te verdelen in gewaarwordingsziel, verstands- gemoedsziel en de bewustzijnsziel. In de huidige ontwikkeling van de mensheid staan we aan het begin van de ontwikkeling van de bewustzijnsziel. Het geestelijke aspect van de mens is onder te verdelen in geestzelf, levensgeest en geestmens. Dit zijn dus drie geledingen die in de huidige ontwikkeling alleen in aanleg aanwezig zijn. De drie keer drie geledingen vormen samen het negenledig mensbeeld. In Theosofie bespreekt Rudolf Steiner dit en ligt hij dit toe.
Als vereenvoudiging – en wellicht om tegemoet te komen aan eerdere theosofische indelingen – neemt Rudolf Steiner het astraallichaam en de gewaarwordingsziel samen als het astraallichaam in uitgebreidere zin. Hetzelfde doet hij met de bewustzijnsziel en het geestzelf. Dan ontstaat het zevendelig mensbeeld met fysieke lichaam, etherlichaam, astraallichaam, (verstand- gemoeds)ziel, geestzelf, levensgeest en geestmens.