Dood en opstanding van Christus vormen een keerpunt in de ontwikkeling van de mensheid.
In de antroposofie wordt hier naar verwezen met de term Christusimpuls, of het mysterie van Golgotha. Christus is als zonnewezen naar de aarde gekomen en bij de doop in de Jordaan geïncarneerd in het lichaam van Jezus. Door de kruisiging heeft hij zich blijvend verbonden met de aarde. Met dit offer werd de te sterk voortschreidende verharding van al het aardse omgebogen tot een nieuwe potentie voor liefde en verbondenheid. Rudolf Steiner beschouwt Christus als het geestelijke Ik van de totale mensheid, dat zowel met de mensheid als met de toekomstige ontwikkeling van de aarde verbonden blijft. Daarmee neemt hij een standpunt in dat het religieuze overstijgt.
Bij een ontmoeting met een medemens van hart tot hart ontmoeten we Christus in de ander.
Rudolf Steiner hielp een aantal jonge geestelijken bij hun streven naar vernieuwing van het (kerkelijke) religieuze leven. Dit leidde tot de oprichting van de Christengemeenschap.
Van zo’n wezen, dat zich bovenzintuiglijk zou hebben ontwikkeld en vervolgens het menselijk bestaan zou zijn binnengegaan – daar wilde men nu niets meer van weten. Christus als bovenzinnelijk, kosmisch wezen dat de ziel van Jezus van Nazareth in bezit neemt, de bovenzinnelijke Christus in de fysiek-zintuiglijke mens Jezus – zo ver als dit bovenzinnelijke wilde de nieuwe tijd niet meer gaan. Het gevolg hiervan was: men verloor Christus uit het oog en hield zich alleen nog aan Jezus vast. En de hele ontwikkelingsstroming nam de vorm aan die we nu, aan het einde van de negentiende eeuw en aan het begin van de twintigste eeuw, zien als de zogenaamde ‘Jezus-opvatting’.
Rudolf Steiner, Neues Christus Erleben, GA 69c