Geplaatst op

Weekspreuken

In 1912 schreef Rudolf Steiner eeen serie van 52 weekspreuken. Die beschrijven elk een gedachte, of stemming waartoe de natuur in de betreffende week de mens uitnodigt.

De oorspronkelijke titel van de weekspreuken was ‘Zielenkalender’ (Seelenkalender). De spreuken maakten toen deel uit van een almanak die bij Pasen begint en tot Pasen in het volgende jaar doorloopt. De herfst vormt dan het keerpunt in het jaar; de tijd voor het Michaëlfeest en de tijd daarna.

De tekst van de spreuken spiegelt zich daadwerkelijk rond de Michaëlstemming – de spreuk in de week van 29 september. De verwantschap van de spreuken komt tot uitdrukking in woordkeus en opbouw. Het werkt verhelderend voor de vaak compacte teksten om een spreuk samen met de tegenspreuk te lezen.

Het volgen van het jaarverloop door het dagelijks of wekelijks lezen of mediteren van de weekspreuken is wijd verbreid.

Rik ten Cate maakte bij elke weekspreuk een bronzen beeld.

Twee weekspreuken als voorbeeld

Weekspreuk 15, 14-20 juli
Ik voel als betoverd
In de schijn van de wereld het weven van de geest.
Het heeft in de dofheid van de zinnen
Mijn eigen wezen gehuld,
Om mij de kracht te schenken
Die, machteloos zich zelf te geven,
Mijn ik in zijn beperking is.

Weekspreuk 38 (Kerst-stemming), 22-28 december
Ik voel als onttoverd
Het geesteskind in de schoot van de ziel;
Het heeft in lichtglans van het hart
Het heilige wereldwoord voortgebracht,
De hemelse vrucht van de hoop,
Die jubelend groeit in wereldverten
Uit de goddelijke basis van mijn wezen.

Uit het voorwoord bij de eerste uitgave

Wat de grote wereld in de loop der tijd onthult, komt overeen met een pendelslag van het menselijk wezen. Die verloopt niet in het element van de tijd. De mens kan zijn wezen, dat zich overgeeft aan de zintuigen en hun waarnemingen, veeleer ervaren als in overeenstemming met de door licht en warmte doordrongen zomernatuur. Het in zichzelf gegrond zijn en het leven in de eigen gedachten- en wilswereld kan hij ervaren als een winters bestaan.

Zo ontstaat bij hem een ritme van uiterlijk en innerlijk leven. Dat komt in de natuur tot uiting in de afwisseling van zomer en winter. Er kunnen zich echter grote geheimen van het bestaan aan hem openbaren, wanneer hij zijn tijdloze waarnemings- en gedachtenritme op passende wijze in verband brengt met het tijdsritme van de natuur. Zo wordt het jaar het oerbeeld van de menselijke zielsactiviteit en daarmee een vruchtbare bron van echte zelfkennis.