De geleding in lichaam, ziel en geest is fundamenteel voor een goed begrip van de mens.
In zijn boek Theosofie schrijft Rudolf Steiner, nadat hij een gedachte van Goethe heeft aangehaald:
Op drie dingen vestigt deze gedachte van Goethe onze aandacht. Ten eerste op de objecten waarvan de mens door de poorten van zijn zintuigen onophoudelijk informatie ontvangt, objecten die hij betast, ruikt, proeft, hoort en ziet. Ten tweede op de indrukken die het waargenomene op hem maakt, indrukken van plezier of misnoegen, van begeerte of afschuw, waardoor hij het ene sympathiek, het andere antipathiek vindt, het ene voor nuttig, het andere voor schadelijk houdt. En ten derde op de inzichten die de mens ‘als was hij een goddelijk wezen’ over de dingen verwerft: het zijn de geheimen van de werking en het bestaan van deze dingen, die hem onthuld worden.
Duidelijk zijn deze drie gebieden in het menselijk leven van elkaar gescheiden. En de mens beseft daardoor dat hij op drieërlei wijze met de wereld verweven is. De eerste wijze bestaat erin dat hij iets aantreft, dat hij een feit neemt zoals het zich aan hem voordoet. Op de tweede wijze maakt hij de wereld tot zijn eigen aangelegenheid, tot iets dat een betekenis voor hem heeft. De derde wijze ziet hij als een doel waarnaar hij onophoudelijk moet streven.
(Uit de vertaling van Theosofie, uitgegeven door Stichting Steinervertalingen)
Het lichaam is verwant met dat wat we met de zintuigen waarnemen, met de aardse wereld. De ziel heeft betrekking op hoe we als mens een innerlijk beleven hebben bij wat we meemaken en doen. De geest omvat het gebied waarin het wezenlijke van alles thuis is, inclusief ons eigen ik.
De geleding in drieën is fundamenteel voor de aardse werkelijkheid, inclusief het morele: het goede is het midden tussen twee verschillende soorten kwaad.