Steiner in essentie

Antroposofie ontmoeten, begrijpen, doen.


AntroposofiePublicatiesGrenzen van de natuurwetenschap

Grenzen van de natuurwetenschap - samenvatting

Hier lees je een samenvatting van de voordrachtenreeks van Rudolf Steiner: Grenzen van de natuurwetenschap (Ga 322).


Voor de nu komende ontwikkeling van de mensheid hebben wij ideeën nodig die, wanneer ze verwezenlijkt worden, sociale omstandigheden scheppen, die de mensen van alle rangen en standen een bestaan bieden, dat hun menswaardig voorkomt.

1 Materie en bewustzijn

Dornach, 27 september 1920

Het is gemakkelijk aan te tonen dat zelfs in de theologie de begrippen uit het natuurwetenschappelijke onderzoek van de laatste eeuwen ingang hebben gevonden. Hoe zit het met die begrippen die wij uit de natuurwetenschap hebben opgedaan en die wij nu in het leven willen toepassen en die in feite door het leven worden verworpen? Het is deze brandende tijdvraag die mij ertoe heeft aangezet juist het thema van de grenzen van de natuurwetenschap te kiezen.

Tegenover de levenloze natuur streeft men naar de grootst mogelijke helderheid, naar klare begrippen. Zodat men zou kunnen zeggen: Ik kijk in de natuur, maar in werkelijkheid kijk ik in een web van krachtsverhoudingen en bewegingen dat ik mathematisch kan doorzien.

In de middeleeuwse scholastiek was de hele vorming van ideeën in de mensheid geordend volgens de opvatting dat men wat aanwezig was in de natuur kon verklaren door bepaalde begrippen, maar dat het bovenzinnelijke onderwerp van openbaring moest zijn. Er was een grens aan de kennis aan de kant van het bovenzinnelijke.

Deze grens werd door denkers en onderzoekers als Du Bois-Reymond vanuit een geheel andere invalshoek vernieuwd. Met betrekking tot de twee vragen: Wat is materie? Hoe ontstaat bewustzijn uit het materiële gebeuren? moeten wij als natuurwetenschappers - volgens Du Bois-Reymond - één ding bekennen: We zullen het nooit weten. De moderne natuurwetenschap wordt geconfronteerd met de grens die door deze twee begrippen wordt aangegeven: Materie, die overal in het zintuiglijke wordt voorondersteld, maar in dit zintuiglijke niet te vinden is, en bewustzijn, waarvan men wil aannemen dat het uit het zintuiglijke voortkomt, maar waarvan men nooit kan begrijpen hoe het uit dit zintuiglijke voortkomt.

Natuuronderzoek spint zich in een web in - buiten dit web ligt de wereld. Want daar, waar materie in de ruimte rondwaart, daar is tenslotte de buitenwereld. Als men daar niet in kan doordringen, heeft men geen ideeën die het leven op de een of andere manier kunnen beheersen.

Het bewustzijn is in de mens. Het is juist vóór het menselijk leven dat alle verklaringen ophouden. Hoe moeten wij dan tot begrippen komen over hoe de mens zich op een menselijke manier in het bestaan kan plaatsen? Het is de onmacht van het moderne wetenschappelijke denken dat ons zo machteloos heeft gemaakt tegenover begripsvorming op sociaal gebied.

Wij moeten door te denken, de natuur doordringen met begrippen en ideeën. We moeten dit doen omdat we alleen op die manier bewuste mensen kunnen worden. Het is slechts door de wisselwerking van de zintuigen en het denken met de uiterlijke loop van de natuur, dat het bewustzijn is geworden zoals het nu is.

Wij verkrijgen die helderheid van voorstelling, die scherp omlijnde begrippen, die wij nodig hebben om wakker te zijn en met een alerte ziel de omgeving op te nemen. Wij hebben dit alles nodig om mens te zijn in de volle zin van het woord. Maar we kunnen het niet uit onszelf toveren. Wij kunnen het in de eerste plaats alleen verkrijgen door onze zintuigelijke omgang met de natuur. Het is de behoefte om mens te worden in de observatie van de natuur die ons drijft om verklaringen te zoeken.

Maar het blijkt dat wij bij het komen tot zulke duidelijke begrippen, die wij aan de natuur ontwikkelen, innerlijk verarmd raken. We komen tot helderheid, maar we zijn onderweg de mens kwijtgeraakt.

En dan keren we naar binnen. Om in de waarneming van ons zelf de helderheid te ontwikkelen die we in de uiterlijke natuur hebben bereikt - dat is niet mogelijk. Deze mathematische helderheid die wij nastreven met betrekking tot de uiterlijke natuur kan niet worden toegepast op de innerlijke mens. Wij vinden de mens, maar ons bewustzijn is nog niet sterk genoeg, nog niet intens genoeg, om de mens te vatten.

Hoe kunnen we hier verder komen? Dat is waar het in het verdere verloop van deze cursus over zal gaan.


2 Fenomenalisme en wiskunde

Dornach 28 september 1920

Wat valt er uit het wetenschappelijk oordeel van de moderne tijd te halen voor het levende denken dat de resultaten van het denken wil omzetten in impulsen voor het leven?

Hegel is, in bepaalde vormen de meest populaire filosoof die de wereld ooit heeft gekend. Uit de gedachten van Hegel kan men de meest uiteenlopende opvattingen naar voren laten komen. Zo komen wij de grote idealist tegen die alleen in het geestelijke leefde; zo komen wij later zijn leerling Karl Marx tegen, die alleen in het meteriele een werkelijkheid wilde zien.

Terwijl Karl Marx de materie tot uitgangspunt van zijn waarneming maakt, gaat Max Stirner uit van de pool van het bewustzijn. Voor Stirner is er maar één wereld, die uitsluitend bevolkt wordt door menselijke ikken die alleen zichzelf willen uitleven. Dat is verward raken in het bewustzijn, dat dan niet meer uit zichzelf kan komen.

De ideeën van Marx zijn zo duidelijk dat zij in de meeste verschillende kringen te begrijpen zijn. Maar als iemands hele instelling neigt naar de pool van bewustzijn, dan komt de wil in opstand, die werkzaam is in de onderste lagen van het menselijk bewustzijn. Dan spot men, zoals Stirner spotte, met alle helderheid. Dan zegt men: Wat kan mij iets anders schelen, ik plaats mijn ik buiten mezelf en zie wat er van komt. Dergelijke extreme uitspraken zijn het weerlichten van wat wij nu als sociale chaos ervaren.

Wanneer de mens zich in verbinding stelt met de natuurlijk-zintuiglijke buitenwereld, ontwaakt zijn bewustzijn tot heldere begrippen. Maar het verliest zichzelf, zodat de mens slechts lege begrippen kan neerzetten, zoals het begrip materie, begrippen die voor hem een raadsel worden. We moeten onszelf eerst op een bepaalde manier verliezen, zodat we ons door onszelf weer kunnen vinden.

De hele helderheid van het leven van het voorstellingsleven in haar omgang met de uiterlijke zintuiglijk-natuurlijke wereld kan voor de mens verkregen worden. Maar deze helderheid van begrippen wordt nutteloos op het moment dat wij in de natuurwetenschap meer willen verkrijgen dan een louter fenomenalisme, zoals Goethe als natuurwetenschapper wilde cultiveren.

Wat betekent dat? Welnu, als wij de wisselwerking tussen ons innerlijk wezen en de zintuiglijk-fysieke buitenwereld benaderen, dan kunnen wij onze begrippen, die wij uit de natuur vormen, gebruiken om nog achter deze verschijnende natuur door te denken. Dit is wat wij doen wanneer wij zeggen: ik stel mij uit de helder verkregen begrippen atomen voor, moleculen, datgene wat verondersteld wordt achter de verschijnselen van de natuur te zitten, bewegingen binnen de materie. Want dan gebeurt er iets vreemds. Mijn kennis bereikt de zintuiglijke wereld en ik ben traag, ik rol achter de zintuiglijke wereld aan met mijn concepten en construeer een wereld voor mijzelf, die ik vervolgens weer in twijfel trek als ik besef dat ik met al mijn denken alleen maar mijn traagheid heb gevolgd.

Goethe wilde zo'n doorrollen van gedachten niet. Hij wilde de begrippen toepassen binnen de zintuiglijke wereld. Goethe wilde de gecompliceerde verschijnselen tot eenvoudige herleiden, maar zulke waarmee hij binnen de grens van het waargenomene bleef. Als men op deze manier binnen het fenomenalisme blijft, dan duikt de oude vraag op een nieuwe manier op: Wat is de betekenis van wat ik inbreng uit de mechanica en de wiskunde, van wat ik inbreng aan getallen, maten, gewichten of tijdsverhoudingen, in deze wereld die ik zo naar de fenomenen beschouw?

Het kan niet worden ontkend dat licht, kleuren, geluiden, smaakgewaarwordingen in een andere verhouding tot ons staan dan datgene wat wij in de uiterlijke wereld kunnen weergeven op een zodanige wijze dat het onderworpen is aan de mathematisch-mechanische wetten. Als mens staan wij buiten geluid, kleur, warmte enzovoort (tot op zekere hoogte is dat ook het geval met warmte). Zij laten onszelf erbuiten, en wij moeten ze waarnemen. Dit is niet het geval met vorm, met ruimtelijke relaties, met tijdsrelaties, met gewichtsverhoudingen. Wij nemen de dingen ruimtelijk waar, maar wijzelf zijn in dezelfde ruimte en in dezelfde regelmaat geplaatst!

En dus moeten we de vraag stellen: Hoe komt het mathematisch-mechanische oordeel überhaupt tot ons? En hoe komt het dat deze wiskunde en deze mechanica kan worden toegepast op de uiterlijke natuur? Hoe komt het dat er een verschil is tussen de mathematisch-mechanische kwaliteiten van de dingen van de uiterlijke wereld en tussen datgene wat ons tegemoet komt als de zintuiglijke kwaliteiten van zogenaamde subjectieve aard: geluid, kleur, warmte-kwaliteiten enzovoorts?

Deze kardinale vraag staat aan de ene kant. We zullen morgen nog een andere vraag ontdekken. Dan hebben we de twee uitgangspunten van het wetenschappelijke. Wij zullen dan verder gaan en de vorming van sociale opvattingen ontdekken.


3 Levenszin, bewegingszin en evenwichtszin

Dornach, 29 september 1920

Het innerlijke werk van de ziel, waarmee wij wiskundige ideeën vormen, is heel wat anders dan wat wij tot stand brengen wanneer wij vanuit zintuiglijke ervaring experimenteren of waarnemen en uiterlijke kennis vergaren. Neem bijvoorbeeld het concept van het parallellogram van beweging en dan het concept van het parallellogram van krachten. Dat twee bewegingen die een hoek met elkaar maken, een samengestelde beweging opleveren, is een stelling uit de analytische mechanica. Het feit dat wanneer twee krachten op één punt werken, er een resulterende kracht ontstaat, kan ook worden bepaald volgens een parallellogram. Maar dit zijn twee totaal verschillende concepten. Het parallellogram van beweging kan innerlijk bewezen worden zoals elke stelling in de wiskunde. Dat het parallellogram van krachten bestaat, kan alleen het resultaat zijn van ervaring. Wij brengen er de kracht in die ons alleen van buitenaf door ervaring bekend kan zijn.

Wat is het dan, dat wij als vermogen ontwikkelen als we mathematiseren? Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij het begrip "wording" serieus nemen. Wij kunnen precies waarnemen hoe die vermogens van de ziel geleidelijk ontwaken, die dan juist bij het mathematiseren optreden. Dit tijdstip ligt ongeveer in de periode van het leven waarin het kind zijn tanden wisselt. En zo krijgen we het idee dat wat we als mens als vermogen van de ziel gebruiken na de tandenwisseling, dat dit daarvoor een organiserende werking in ons heeft.

Als wij met volle kracht en kennis naar het menselijk innerlijk kijken, dan kunnen wij drie functies vinden die vergelijkbaar zijn met zintuigen. Functies waardoor in zekere zin een mathematiserende activiteit wordt uitgeoefend, vooral in de eerste levensjaren.

Ten eerste is er wat ik zou noemen de levenszin. We voelen ons goed of niet goed. Zoals wij een uitwendig waarnemingsvermogen hebben via de ogen, zo hebben wij een inwendig waarnemingsvermogen. Een tweede is wat ik zou noemen de bewegingszin. We hebben een innerlijke waarneming van de beweging van de ledematen. Een derde, naar binnen gericht, is de evenwichtszin. Deze evenwichtszin is in ons hetgeen waarmee wij waarnemen hoe wij onszelf in harmonie brengen met de krachten van onze omgeving. Wanneer je de hele reikwijdte van wat zich afspeelt tussen de conceptie en de tandenwisseling begrijpt, zie je een sterke werking van deze drie innerlijke zintuigen. En dan merk je dat er in de evenwichtszin en in de bewegingszin niets anders gebeurt dan een levendig mathematiseren. Opdat het levendig is, daarom is de levenszin erbij.

Zo zien we hoe de wiskunde als een abstractie ontstaat uit de toestand waarin zij daarvoor concreet in het menselijk organisme werkzaam was. En vanuit deze wiskunde benaderen wij dan de buitenwereld, want wij zijn als mens volledig gebonden aan het totale ruimtelijke en tijdelijke bestaan. Wij vatten de buitenwereld met datgene wat in ons heeft gewerkt tot aan de tanden wisseling.

Men moet eens gevoeld hebben wat iemand kan drijven van het abstracte begrijpen van geometrische vormen tot de bewonderende gewaarwording van de innerlijke harmonie die in dit mathematiseren schuilt. Wat je daar ziet als mathematische harmonieën, waarmee je de verschijnselen van het universum verweeft, dat is in wezen niets anders dan wat je opgebouwd heeft in de eerste periode van je kinderlijke ontwikkeling hier op aarde.  Concreet betekent dit het aanvoelen van de verbondenheid van de mens met de kosmos.

En als je op deze manier deze innerlijke ervaring doorwerkt, dan leer je inzien dat de wijze waarop wij wiskunde tot ons nemen op inspiratie berust. Wij kunnen deze inspiratie dan zelf ervaren in de ontwikkeling van geestelijk onderzoek. Wij krijgen inhoud in onze ideeën, in onze begrippen, op een andere manier dan door uiterlijke ervaring.

Wanneer men in zichzelf datgene tot leven brengt wat onbewust in de wiskunde wordt bedreven en in staat is het op een breder terrein te brengen; dat stelde Goethe zich als mathematische sfeer voor. Hij eist dat wij teruggaan naar de oerverschijnselen, zoals de wiskundige dat doet wanneer hij vanuit de ingewikkeldere formaties van de uitwendige waarneming teruggaat naar het axioma. De oerverschijnselen moeten de empirische axioma's zijn, de axioma's die kunnen worden ervaren. Wat Goethe dus zoekt, is een inbrengen van het mathematiseren in de verschijnselen. Hij eist dit van een natuurwetenschappelijke werkwijze.

Wij zullen zien dat tegenover Goethes fenomenologie - als begrijpen van de uiterlijke wereld - een zelfde begrijpen van de menselijke bewustzijnswereld moeten stellen. Een begrijpen dat zich in de meest strikte zin wil kunnen verantwoorden, zoals Goethe dat deed ten aanzien van de wiskunde. Een begrijpen zoals ik dat op bescheiden wijze heb geprobeerd in mijn "Filosofie van de vrijheid".


4 Filosofie van de vrijheid

Dornach, 30 september 1920

We hebben het gisteren over de kant van de materie gehad. Aan de andere kant staat het probleem van het bewustzijn. Juist de geesteswetenschapper heeft de hoogste graad van innerlijke helderheid nodig om af te dalen in de diepten van het bewustzijn, om daar inzichten te verkrijgen over wat dit bewustzijn eigenlijk is.

Men kan proberen deze weg te gaan, zoals men doet door de discipline van het wiskundig denken. Als men dit doet, dan komt men eenvoudig, door een natuurlijke innerlijke leiding, in dat gebied dat ik probeerde te beschouwen in mijn "Filosofie van de Vrijheid". Daar komt men tot een aanschouwen van het denken.

Men moet het innerlijke werk van het denken zo ver hebben doorgevoerd dat men dan tot een staat van bewustzijn komt waarin men, eenvoudig door naar zintuigvrije gedachten te kijken, weet dat men nu te maken heeft met zintuigvrije gedachten. Men leeft in een element dat geen zintuiglijke indrukken meer bevat en zich toch in innerlijke activiteit als een werkelijkheid openbaart. Men ontdekt dan dat er in de mens impulsen zijn die zeker naar de vrijheid neigen, maar die onbewust blijven, instinctief, totdat men de vrijheid herontdekt, doordat men weet: Uit het zintuigvrije denken kunnen impulsen voortkomen voor ons zedelijk handelen, die dan zelf niet bepaald worden uit zintuiglijkheid, maar bepaald worden uit zuivere spiritualiteit.

Men ervaart iets in zijn bewustzijn dat innerlijk transparant is, dat van binnenuit vervuld is van spiritualiteit. Men heeft het bestaan van de wereld op één punt begrepen, in die zin dat men zichzelf tot het toneel van het kennen heeft gemaakt. Wij ervaren vrijheid, maar wij weten dat deze vrijheid in de mens leeft voor zover het geestelijke leeft. We vatten pas uit het element van de vrijheid het spirituele.

En dit brengt ons tot iets, dat in het binnenste van de mens de impuls van ons moreel-sociaal handelen - de vrijheid - samenweeft met het kennen, met datgene wat wij uiteindelijk wetenschappelijk bereiken. Wij ervaren een kennen dat tegelijk een innerlijk doen blijkt te zijn, dat een innerlijk doen in de buitenwereld kan worden. Dat kan daardoor beslist overvloeien in het sociale leven.

Men weet wat geest is, en men weet het door de geest te hebben gevonden op de weg die moet worden afgelegd door al die mensen die op de een of andere manier in het sociale leven actief willen zijn. Dat is één ding dat ik heb laten zien door mijn "Filosofie van de Vrijheid".

Het andere dat ik heb laten zien is dat wanneer we de vrijheid hebben ontdekt als de drager van wat eigenlijk moreel is in het zintuigvrije denken, dat deze morele inhoud vrij moet ontstaan in de bovenzinnelijke ervaring.

Wanneer men is aangekomen bij die innerlijke ervaringen die in de sfeer van het zuivere denken staan, bij die innerlijke ervaringen die zich uiteindelijk openbaren als de ervaring van vrijheid, dan komt men tot een metamorfose van het kennen in relatie tot de innerlijke wereld van het bewustzijn. Dan blijft de abstractie geen abstractie, dan gaat het eerst in deze richting en vervolgens naar het reële rijk van de spiritualiteit. Dan worden begrip en idee omgezet in beeld, in Imaginatie. Men ontdekt onmiddellijk het hogere niveau, men ontdekt het kennisniveau van de Imaginatie.

Zoals men met de filosofie nog binnen in een zelfgemaakte werkelijkheid zit, zo zit men vervolgens in een wereld van ideeën, wanneer men zich innerlijk heeft laten drijven door de weg die de "Filosofie van de vrijheid" wijst. Ideeën echter, die geen droombeelden zijn, maar die wijzen op werkelijkheden, maar op geestelijke werkelijkheden, zoals kleuren en klanken verankerd zijn in zintuiglijke werkelijkheden. Nu betreedt men het rijk van het beeldende, imaginatieve denken.

Door deze Imaginatie ontdekt men in deze beeldende voorstellingen, datgene wat de mens voor iemand begrijpelijk maakt van de kant van het bewustzijn. Men moet de terughouding hebben om stil te staan en zich als het ware van binnenuit tegenover de geestelijke buitenwereld te stellen. Dan zal men geen gedachten in het bewustzijn binnenvoeren die het toch niet kan bevatten, maar dan zal men de Imaginatie ontvangen waardoor het bewustzijn nu wel kan worden begrepen.

Zoals men moet stilstaan bij de buitengrens van de fenomenen en de gedachten datgene voor je blijken te zijn wat deze fenomenen in kennis kan ordenen.  Zoals dit stilstaan noodzakelijk is en men juist daardoor tot de spiritualiteit van de intellectuele komt, zo moet men innerlijk zoeken en de terughouding hebben om met de gedachten stil te staan, ze als het ware innerlijk tot reflectie te brengen, om daardoor bij de beelden aan te komen die dan het innerlijk van de mens ontsluieren. Ik moet de terughouding hebben om terug te keren. Maar dan, op het punt van de reflectie, zal de Imaginatie zich aan mij tonen.

Ziet u, we komen nu tot twee polen in het innerlijk. Wij komen tot de pool van Inspiratie naar de buitenwereld toe en tot de pool van de Imaginatie naar de innerlijke wereld. Maar als wij eenmaal deze Imaginatie hebben begrepen, kunnen wij innerlijk datgene samenstellen wat het menselijk wezen doordringt als het etherisch lichaam. De werkelijkheid leeft immers in beelden.

Als men het Stirneriaanse ik, dat voortkomt uit instinctieve ervaringen, eenvoudigweg neemt zoals het is, als men het niet doordringt met wat tot de morele fantasie komt, dan betekent het iets asociaal. Maar dat wat de "Filosofie van de vrijheid" in de plaats van het Stirnerianisme stelt, dat betekent werkelijk iets sociaals.

Door naar binnen te kijken en de moed te hebben om van louter begrippen en ideeën naar Imaginaties te gaan, en daardoor eerst deze spiritualiteit in ons innerlijk te herontdekken, zullen we in staat zijn om spiritualiteit in de uiterlijke wereld te brengen.


5 Inspiratie versus twijfelzucht

Dornach, 1 oktober 1920

De ware geesteswetenschapper moet de wijze van bewijzen van de empirische natuurwetenschap in zich hebben opgenomen ten behoeve van het verkrijgen van een hoger niveau van kennis.

Nu heb ik u erop gewezen hoe de geesteswetenschapper zich moet opstellen ten opzichte van de twee grenzen die bij het verwerven van kennis optreden. Naar de materie toe moeten wij, in plaats van het kennisproces in traagheid te laten voortrollen, op deze grens stoppen en daar de Inspiratie ontwikkelen. Anderzijds, als wij het bewustzijn willen vatten, moeten wij eerst de wereld van de Imaginatie binnengaan.

Als je dat wat anders in ons leven in de eerste zeven levensjaren tot aan het wisselen van de tanden mathematiseert, als je dat in het volle bewustzijn beoefent; als je evenwichtszin, bewegingszin en levenszin in het volle bewustzijn opneemt; als je dat er zo uitlicht dat je erin leeft met die uitgebreide wiskundige ideeën, dan is het alsof je in slaap valt, maar niet doorslaapt in bewusteloosheid, maar alsof je wegzinkt in een nieuw bewustzijn.

Je groeit naar een bewustzijn toe, waarin je eerst iets ervaart als een geluidloos weven in wereldmuziek. Dit weven in een geluidloze wereldmuziek geeft de andere gewaarwording, dat je nu met je ziel en geest buiten je lichaam bent. Je begint te weten dat je ook in de slaap met ziel en geest buiten je lichaam bent. Maar wat door de ervaring van slaap vibreert is niet datgene wat vibreert door iemands eigen onafhankelijkheid wanneer je bewust het lichaam verlaat. In het begin ervaar je iets als een innerlijke rusteloosheid die een muzikaal karakter heeft. Dit klaart geleidelijk op, naarmate de muzikale ervaring zoiets wordt als een woordeloze openbaring van woorden uit de geestelijke wereld.

Er is iets dat oprijst uit deze geluidloze ervaring, zodat wij in staat zijn innerlijk zinvolle inhoud te ontvangen uit wat wij ervaren, net zoals wij uiterlijk zinvolle inhoud ontvangen wanneer wij naar een mens luisteren. De geestelijke wereld begint gewoon te spreken. Je leert datgene te omlijnen wat zich aankondigt vanuit het bovenzinnelijk geestelijke, als iets wezenlijks. Deze geestelijke wereld neemt nu de plaats in van de lege, uitgeputte, metafysische wereld van atomen en moleculen; zij laat ons zien wat in waarheid achter de verschijnselen van de fysiek-zintuiglijke wereld staat.

Sinds enige tijd wordt er, zoals sommigen van u wellicht weten, een vreemde ziekte beschreven: pathologisch piekeren, twijfelzucht. Deze ziekte komt tot uiting in het feit dat vanaf een bepaalde leeftijd, die in de regel samenvalt met de geslachtsrijpheid, mensen niet meer in staat zijn een juiste positie in te nemen ten opzichte van de uiterlijke wereld die zij ervaren, dat zij behept zijn met een onbeperkt aantal vragen met betrekking tot hun ervaringen in de uiterlijke wereld. Dit alles kan de mens in een toestand van voortdurende onrust brengen.

Het is eenvoudig een vorm van uittreden waarin de geestelijk onderzoeker zich bewust bevindt wanneer hij tot de muzikaal-klankloze ervaring van woorden, tot de zijns-ervaring van inspiratie komt. Maar zulke mensen, behept met twijfelzucht, met gepieker, betreden dit gebied op een onbewuste manier. Zij hebben geen culturele ervaring die hen in staat zou stellen de toestand waarin zij terechtkomen werkelijk te begrijpen. Dit zijn pathologische toestanden die je pas begint te begrijpen als je weet dat deze mensen het gebied betreden, dat de geesteswetenschapper in Inspiratie ervaart. Deze mensen betreden hetzelfde gebied als de geesteswetenschapper, maar zij nemen hun ik niet mee. Zij verliezen als het ware hun ik, wanneer zij deze wereld betreden. Dit ik is datgene wat in staat is orde te scheppen in deze wereld, net zoals wij in staat zijn orde te scheppen in de wereld van de fysiek-zintuiglijk omgeving.

Het gaat erom, in een werkelijk geestelijk onderzoek, het volle onderscheidingsvermogen, de volle bedachtzaamheid en de volle kracht van het menselijk ik in dit gebied te brengen. Dan zullen wij niet leven in een overdreven scepsis, dan zullen wij net zo bedachtzaam leven, net zo veilig, als wij veilig leven in de fysieke wereld.

Het meest opvallende voorbeeld van iemand die in de moderne tijd niet volledig voorbereid dit gebied is binnengetreden, is Friedrich Nietzsche. Wanneer je Nietzsche bekeek met al wat je van Nietzsches wereldbeeld, van Nietzsches innerlijke verbeelding en beeldenwereld kon ervaren, wanneer je dan voor deze Nietzsche stond, voor dit wrak in relatie tot het fysieke leven, met dit beeld in de eigen ziel, dan wist je: deze mens wilde kijken in de wereld die door Inspiratie ontstaat. Niets van deze wereld drong tot hem door. En dat wat in deze wereld wilde binnentreden, wat naar Inspiratie verlangde, doofde uiteindelijk uit. Het vulde nog jarenlang het organisme als een inhoudsloze ziel en geest.

De hele tragedie van onze moderne cultuur, haar streven naar de geestelijke wereld, haar hunkeren naar dat wat uit Inspiratie kan voortkomen, kon je uit zo'n aanblik leren kennen.

De huidige ontwikkeling van de mensheid draagt in zich het geheim dat uit deze mensheid een streven zich laat kennen, dat rommelt in onze sociale omwentelingen die onze beschaving doorkruisen, en dat een blik wil werpen in de geestelijke wereld van Inspiratie. En Nietzsche was als mens het punt waar de natuur haar openbaar geheim prijsgaf, waar zij je kon openbaren, wat vandaag de dag een streven is voor de hele mensheid, wat wij moeten willen, opdat alle mensen die naar ontwikkeling streven niet hun ik verliezen en de beschaving niet tot barbarij vervalt.

Dit is de ene grote culturele zorg die je op je neemt als je het doel hebt tot een sociaal denken te komen. Aan de andere kant, naar de grens van het bewustzijn toe, worden wij geconfronteerd met de verschijnselen van claustrofobie, astrofobie en agorafobie, net zoals wij aan de materiële kant geconfronteerd worden met twijfelzucht. Wij zullen moeten bespreken hoe pathologische twijfelzucht in de cultuurgeschiedenis moet worden genezen door het cultiveren van Inspiratie. En zo is het dreigende optreden van claustrofobie, astrofobie, agorafobie, de andere storende factor die we kunnen overwinnen door Imaginatie.


6 Inspiratie, imaginatie en intuïtie

Dornach, 2 oktober 1920, in de ochtend

Het geheugen is nauw verbonden met het ik. Daarom moeten wij de kracht in onze ziel die ons het geheugen levert, meenemen naar de wereld van de inspiratie. Daar metamorfoseert deze kracht. Wanneer iemand dus rechtstreeks vanuit zijn inspiratie uiting geeft aan datgene wat zich in de geestelijke wereld aan hem openbaart, moet hij telkens opnieuw de geestelijke waarneming verrichten. Hij kan niet zomaar opnieuw een boodschap uit het geheugen overbrengen. Zoals men in de lichamelijke waarneming moet leren zich in de ruimte te bewegen, zodat men afwisselend het een of het ander kan waarnemen, zo moet de geesteswetenschapper die tot inspiratie komt, leren zich vrijelijk in het element van de tijd te bewegen. Maar datgene waarin het geheugen is veranderd, geeft hem de waarneming van een meer omvattend ik. Nu wordt het feit van de herhaalde aarde-levens als kennis ervaren.

Wij in het Westen voelen aan de ene kant de spirituele hoogte van de oude Oosterse wijsheid. Maar als we afdalen naar de brede regionen die toegankelijk waren voor het gewone bewustzijn in het Oosten, vinden we een allegorisering van de uiterlijke natuur. Hiervan hebben wij het duidelijke besef dat het ons weg leidt van de ware werkelijkheid. Wij moeten de zielekracht verwerven om dit vermogen te allegoriseren innerlijk uit te oefenen en ons er ten volle van bewust blijven. Wij vervallen in bijgeloof als wij met deze kracht iets anders doen dan zelf onze ziel vormen.

Maar door deze kracht, die de oriëntalist naar buiten richt, naar binnen te gebruiken als een kracht om te oefenen, komt men werkelijk tot het ontwikkelen van kennis over het bewustzijn. Geleidelijk aan transformeert men het denken in louter ideeën tot beeldend denken. Men beleeft het beeldende denken. Men ervaart immers niets anders dan datgene wat in de eerste jaren van de kindertijd in het lichaam zelf werkzaam is. We beleven dat in beelden. Geleidelijk aan worstelt men zich door tot een aanschouwen van het werkelijke zieleleven. Zo ontwikkelt zich het imaginatieve voorstellen. Alleen door over te gaan tot de Imaginatie zal het mogelijk zijn een psychologie te ontwikkelen die verder gaat dan louter een spel met woorden.

En zoals nu voor de mens de tijd is gekomen om uit zijn fysieke lichaam te komen door de culturele omstandigheden, zodat hij streeft naar Inspiratie, zo is nu voor de mens de tijd gekomen om, als hij zichzelf wil kennen, zich geleid te voelen naar Imaginatie. Dat de mens op deze wijze naar zijn innerlijk streeft, blijkt ons uit wat wordt beschreven als opkomende pathologische ziektepatronen, zoals agorafobie, astrofobie en claustrofobie.

Dergelijke toestanden komen voort uit het feit dat wij niet alleen moeten leren ons zielenleven vrij van het lichaam te voelen, maar dat wij het ook weer met ons bewustzijn moeten terugvoeren in het fysieke organisme. Zoals datgene wat ik u in de loop van deze lezingen reeds heb beschreven uit het lichaam tevoorschijn komt tussen de geboorte en de tandenwisseling, zo duikt datgene wat uitwendig wordt ervaren, wat wij astrale ervaring kunnen noemen, weer onder in het menselijk lichamelijk organisme tussen het wisselen van de tanden en de geslachtsrijpe leeftijd. En dat wat dan verschijnt als lichamelijke liefde, dat is niets anders dan het resultaat van dit onderduiken. Men moet leren onder te duiken in het lichaam. Dan zal men ervaren wat zich daar eerst voordoet als een imaginatieve voorstelling van het innerlijk leven. Men moet zo onderduiken, zodat men zich in het onderduiken nog precies van zijn lichaam kan onderscheiden. Want men kan alleen datgene herkennen wat een object wordt. Als men bij een onbewust onderduiken in het lichaam vrij kan houden wat men buiten het lichaam ervaart, dan daalt men af in dit lichaam, en in het lichaam ervaart men in imaginaties datgene wat de essentie is van dit lichaam tot aan het bewustzijn toe. Maar wie deze beelden als het ware in het lichaam laat glijden, voor wie het lichaam geen object wordt, neemt het gevoel voor ruimte met zich mee het lichaam in. Op deze wijze groeit de ervaring van de uiterlijke wereld samen met de innerlijke wereld van de mens, en de mens kan dan niet langer de ruimte op een normale wijze ervaren. De angst voor de lege ruimte, de angst voor eenzame plaatsen, de angst voor het astrale dat zich in de ruimte uitspreidt, voor het onweerachtige, ontstaat bij zo iemand.

Daarom moet men nu zo in het lichaam onderduiken, dat men het Ik er niet in meeneemt. Zoals men het Ik moet meenemen naar de wereld van de Inspiratie, zo mag men het niet meenemen naar de wereld van de Imaginatie. Alle fantasie beelden houden daar op. Maar de objectieve beelden verschijnen. Alleen datgene wat werkelijk leeft in de menselijke vorm, houdt op als een object tegenover de mens te staan. De uiterlijke menselijke vorm gaat verloren en de veelvormigheid komt te voorschijn, die in zekere zin leeft uit het etherische van de mens. De mens ziet nu de verscheidenheid van al die dierlijke vormen waarvan de synthetische vermenging en combinatie de menselijke vorm is. Hij leert op innerlijke wijze datgene te herkennen wat werkelijk leeft in het plantenrijk en het mineralenrijk. En het feit dat wij ons ik niet in dit fysieke lichaam binnenvoeren, dat alleen maakt het ons mogelijk om in onszelf op een hogere manier de kracht van de liefde vorm te geven. Hoger dan in het gewone leven, waar het geleid wordt door de lichamelijke krachten van het zintuiglijke. Opdat de kracht van de liefde nooit buiten ons zoeken naar kennis is.

De twee krachten, die van de Inspiratie en die van de Imaginatie, die kunnen zich verenigen. Maar het moet gebeuren met vol bewustzijn en in een vatten van de kosmos vanuit liefde. Dan ontstaat er een derde, in geestelijke intuïtie. Zo leert men enerzijds door Inspiratie het plantenrijk, het dierenrijk, het mineralenrijk kennen naar hun innerlijke essenties, en zo komt men tot de ontdekking dat men door Imaginatie de menselijke organen leert kennen. En door intuïtief te combineren wat men geleerd heeft over het planten-, dieren- en mineralenrijk met wat uit de Imaginatie voortvloeit over de menselijke organen, daardoor verkrijgt men pas een ware therapie, een leer van geneesmiddelen, die in staat is het uitwendige in reële zin op het inwendige toe te passen.

Geesteswetenschap moet echt in staat zijn om liefde te ontwikkelen in lichte helderheid. Want dan zal de geesteswetenschap een kiem zijn die zich zal ontwikkelen en haar krachten zal uitzenden naar alle wetenschappen en dus ook naar het menselijk leven. Het is in de ruimste zin noodzaak dat datgene wat hier wordt onderzocht, mensen rijp zal maken om vanuit deze ruimte naar alle kanten van de wereld te gaan met zulke sociale impulsen die onze wereld, die zo duidelijk naar neerwaarts gaat, kunnen verheffen.


7 Oosterse en westerse wijsheid

Dornach, 2 oktober 1920, 's avonds

De kennis van hogere werelden berust op het feit dat men zich bewust wordt van de wijze waarop men in de verdere loop van het leven, door zelfopvoeding, kan opklimmen tot een hoger bewustzijn. In de oudheid spraken de Oosterse wijzen van zo'n bewustzijn. Datgene wat deze wijzen als hun ontwikkelingsweg namen, was een weg van Inspiratie. Ik zou er meteen op willen wijzen dat deze weg niet meer die van onze westerse beschaving kan zijn.

Wij hebben kunnen karakteriseren hoe, met de tandenwisseling, geest en ziel, die in de eerste kinderjaren een organiserende werking hebben in het lichaam, zich dan emanciperen, terwijl zij voordien bezig waren het lichaam te organiseren. Nu echter, naarmate wij meer en meer in het leven groeien, ontstaat datgene wat het gewone bewustzijn aanvankelijk niet in staat stelt om deze bevrijde geestziel tot ontwikkeling te brengen in de geestelijke wereld. Wij moeten de bekwaamheden verwerven die ons in staat stellen ons te oriënteren in de uiterlijke zintuiglijk-fysieke wereld. Wij moeten onszelf ook die bekwaamheden geven die ons een nuttig lid maken in het sociale leven met andere mensen.

Er zijn drie dingen die ons in de juiste samenhang brengen, vooral met de uiterlijke menselijke wereld: taal, het vermogen om de gedachten van onze medemensen te begrijpen, en het waarnemen van het ik van andere mensen. Zodat we buiten de gewone menselijke zintuigen nog drie zintuigen moeten onderscheiden, de spraakzin, de gedachtezin, de ikzin. Toen de wijze de methode van de hogere kennis wilde ontwikkelen, liet hij als het ware de kracht van de ziel niet doordringen door het woord in de waarneming van de spraak, maar hield hij halt bij het woord zelf. Hij deed afstand van het begrip van iets anders door het woord. Hij vormde bepaalde spreuken waarin hij ernaar streefde geheel binnen de klank van het woord te leven. En hij ging met zijn hele zielenleven mee op de klank van het woord dat hij voor zichzelf uitsprak.

Door de herhaling van de mantra ontstond een kracht in de ziel, die nu niet meer naar andere mensen leidde, maar naar de geestelijke wereld. En men werd rijp om te begrijpen wat in de hogere kracht van het denken ligt. Men werkte zich op naar wat ik u als inspiratie heb beschreven. En dan komt men ook zover op deze weg, in plaats van toe te leven naar het ik van andere menselijke wezens, leeft men toe naar de ikken van geïndividualiseerde geestelijke wezens.

De oude Oosterse wijze bereikte in de hoogste mate datgene wat inspiratie kan worden genoemd, en hij was juist voor deze inspiratie georganiseerd. Hij hoefde niet bang te zijn dat zijn ik op de een of andere manier voor hem verloren zou gaan op deze reis uit het lichaam. De leerling nam eenvoudig waar hoe de goeroe leefde, hoe de goeroe voor zichzelf in de geestelijke wereld stond, en door deze waarneming werd hij zelf gezond bij het komen tot inspiratie, zodat pathologische twijfelzucht geen vat op hem had.

Het kon echter de leerlingen van de oude Oosterse wijzen overkomen dat zij, als zij uit hun fysieke lichaam waren, niet opnieuw de mogelijkheid vonden om geest en ziel op de juiste wijze met dit fysieke lichaam te verbinden. En wanneer men hoort dat in de Oosterse Mysteriën enerzijds de voorzorgsmaatregel van het leunen op de goeroe werd gebruikt, dan hoort men anderzijds van allerlei voorzorgsmaatregelen door koude wassingen en dergelijke. De mens werd ervoor beschermd dat hij door een onvoldoende verbinding van zijn geest en ziel met het fysieke een verkeerd gevoel voor de ruimte zou krijgen, dat hem zou kunnen drijven tot pleinvrees en dergelijke, en dat hem er ook toe zou kunnen brengen niet op de juiste manier sociale omgang met andere mensen te zoeken. Dit is een gevaar, want wanneer een mens op deze manier de weg zoekt naar Inspiratie, dan schakelt hij op een bepaalde manier de wegen van taal, van denken naar het ik, naar de andere mens, uit. Dan brengt hij een verbinding tot stand van de geest en ziel met zijn lichaam, zodat hij zich door een te sterke onderdompeling in zijn lichaam zo egoïstisch gaat voelen, dat hij de omgang met andere mensen leert haten en hij een onsociaal wezen wordt.

Het Christusgebeuren staat als een feit in de ontwikkeling van de aarde. Maar de manier waarop dit moet worden opgevat is in de eerste eeuwen van de christelijke ontwikkeling ontleend aan Oosterse wijsheid. Dit werd meer en meer verdund en werd de inhoud van de westerse religieuze geloofsbelijdenissen.

De westerse inborst is meer geneigd zich op een andere manier te ontwikkelen in de richting van de hogere werelden dan de oosterse inborst. Zoals de oosterse geest streeft naar inspiratie, zo streeft de westerse geest naar imaginatie. Terwijl de Oosterling zijn wijsheid meer heeft gezocht in de ontwikkeling tot een hoger niveau van datgene wat ligt tussen de geboorte en het zevende jaar, is de westerling meer georganiseerd om datgene na te streven wat ligt tussen het wisselen der tanden en de geslachtsrijpheid. Wij bereiken dit echter – zoals je het ik bij de inspiratie juist mee moet nemen - wanneer wij het ik erbuiten laten en dit ik verbinden met het zuivere denken, als we weer onderduiken in onze lichamelijkheid.

We kunnen dan het zuivere denken, dat we nu overlaten aan het Ik, dat zich vrij en onafhankelijk voelt in vrije spiritualiteit, uitsluiten van het proces van waarneming, en we kunnen de voorstellingen weglaten uit het hele proces van verwerking van de waarnemingen en kunnen de waarnemingen zelf rechtstreeks in onze lichamelijkheid binnenvoeren. Wij voeden onszelf op een speciale manier op tot een dergelijke vervullen van onszelf met de inhoud van de waarneming, wanneer wij, in plaats van de inhoud van de waarneming te vatten in het wetmatige logische denken, deze inhoud van de waarneming nu vatten in symbolen, in beelden, en het daardoor als het ware in ons laten binnenstromen, het denken omzeilend. Op deze manier stroomt datgene wat in ons leeft als het etherische lichaam, het astrale lichaam, van binnenuit naar ons toe. Op die manier leren wij de diepte van ons bewustzijn en onze ziel kennen. Dit is natuurlijk een weg die in de ontwikkeling van het Avondland nog maar net is ingeslagen, maar het is de weg die moet worden ingeslagen als wij datgene willen tegengaan wat uit het Oosten overvloeit en wat tot decadentie zou leiden als het alleen geldig was, als wij het willen tegengaan met iets wat er tegenop gewassen is, zodat wij komen tot een opgang en niet tot een neergang van onze beschaving.

Ja, men kan niet alleen materialistisch denken, men kan ook materialistisch zijn in die zin dat geest en ziel te sterk verbonden zijn met het fysieke lichaam. Dan leeft men niet vrij met het ik in de begrippen van zuiver denken waartoe men gekomen is. En als men zich met de tot beeld geworden waarneming onderdompelt in de lichamelijkheid, dan dompelt men zich met het ik en met de begrippen onder in de lichamelijkheid. En als men dit dan verspreidt, als men er mensen mee doordringt, dan ontstaat het geestelijk verschijnsel dat wij goed kennen, de dogmatiek in alle verschijningsvormen.

Alle soorten dogmatisme moeten geleidelijk worden vervangen door datgene wat ontstaat wanneer men de wereld van de ideeën in het gebied van het ik bewaart, wanneer men overgaat tot Imaginatie, daarbij de mens in zijn ware gedaante opneemt in zijn innerlijke ervaring en geleidelijk op een andere manier de westerse weg inslaat naar de geestelijke wereld. Deze andere weg door de imaginatie is de weg die datgene tot stand moet brengen wat zich moet bewegen als een stroom van geestelijke kennis, als een geestelijke ontwikkeling van het Westen naar het Oosten, wil de mensheid vooruitgang boeken.


8 Waarnemen en denken

Dornach, 3 oktober 1920

Vandaag wil ik de weg naar de geestelijke wereld beschrijven, zoals die past bij de westerse beschaving, zoals die het best gevolgd kan worden door hen die het westerse wetenschappelijke leven meemaken. Voor deze wetenschapper moet ik als een soort voorwaarde beschouwen het nastreven van wat in mijn "Filosofie van de Vrijheid" uiteengezet wordt. Mijn "Filosofie van de Vrijheid" is zo bedoeld dat het boek zelf een soort partituur is en dat men deze partituur met innerlijke gedachte-activiteit moet lezen, om voortdurend zelf van gedachte tot gedachte vooruit te komen.

Door zich dit soort denken eigen te maken, komt men werkelijk in de positie dat men zo scherp naar binnen met de ziel kan werken dat men bij het waarnemen de voorstelling onderdrukt en voor zichzelf symbolische of andere beelden schept van wat met het oog wordt gezien, met het oor wordt gehoord, ook warmtebeelden, tastbeelden enzovoorts.

Als men werkelijk aan de materiële grens van de kennis heeft gestreefd om niet door traagheid door het tableau van de zintuigen heen te breken en daar dan allerlei metafysische dingen te zoeken in atomen en moleculen, maar als men de begrippen heeft gebruikt om de verschijnselen te ordenen tot aan de oerfenomenen toe, dan krijgt men daardoor al een opvoeding die dan ook al het begripsmatige van de verschijnselen kan weghouden. En als men de verschijnselen tot beeld maakt, dan verwerft men een sterke geestelijke kracht om de uiterlijke wereld als het ware zonder begrippen in zich op te nemen. Men komt tot de conclusie dat men nu in zijn eigen innerlijk het geestelijke ontmoet, dat het proces van groei laat zijn.

Door omringd te zijn door alles wat indrukken maakt op onze zintuigen, door dit alles bewust te beleven, zien we dat, als we het van kinds af aan onbewust beleven, dat we met de indrukken van kleur, met de indrukken van geluid, iets in ons opnemen wat als iets geestelijks onze organisatie doordringt. En wanneer wij bijvoorbeeld tussen het wisselen van de tanden en de geslachtsrijpheid het gevoel van de liefde in ons opnemen, is dit niet iets dat uit ons lichaam groeit, maar is dit iets dat de kosmos ons schenkt. Wanneer wij zintuiglijke indrukken opdoen, zijn wij ons alleen bewust van wat in eerste instantie, de uiterlijke toon, de uiterlijke kleur is. Maar door deze overgave werkt niet datgene waarvan de moderne fysica of fysiologie droomt, maar werkt de geest, werken de krachten die alleen hier in de fysieke wereld tussen geboorte en dood ons maken tot wat wij als mensen zijn.

De drie innerlijke zintuigen, de evenwichtzin, bewegingszin en het levenszin, werken juist in de eerste zeven levensjaren van een mens samen met de wil. Maar tegelijk met de emancipatie van evenwicht, beweging en leven ontwikkelt zich een zekere houding tegenover drie andere zintuigen, de reukzin, de smaakzin en de tastzin. Terwijl de mens evenwicht, beweging en leven uit zichzelf wegdrukt, trekt hij meer naar binnen al wat de eigenschappen zijn van de reukzin, de smaakzin, de tastzin. Hierdoor ontstaat in de mens een solide zelfbewustzijn. En zoals wij van het geestelijke buiten ons zijn afgesloten door de spraak, door de waarneming van gedachten en van het ik in relatie tot andere mensen, zo worden wij - naarmate de kwaliteiten van reuk, smaak en tasten toegroeien naar evenwicht, beweging en leven - innerlijk afgesneden van deze drie-eenheid van leven, beweging en evenwicht, die zich anders rechtstreeks aan ons zou openbaren. En dat is het resultaat van de ontwikkeling naar Imaginatie waarover ik heb gesproken. Degene die naar Imaginatie streeft, baant zich een weg door reuk, smaak en tasten heen. Hij dringt door tot in het innerlijk, zodat hij dan, niet gehinderd door reuk, tast en smaak, datgene ontmoet, wat te ervaren is als evenwicht, beweging en leven.

Juist wanneer men de natuurwetenschap heeft leren kennen, weet men dat thans een helder begrip van het eigen mens-zijn moet worden gezocht door een geestelijk-wetenschappelijke stroming, opdat daardoor een helder geestelijk begrip van de uiterlijke wereld tot stand kan komen.

Wanneer men aldus is doorgedrongen tot datgene wat leeft in de evenwichtszin, in de levens zin, in de bewegingszin, dan is men aangekomen bij datgene wat door zijn transparantie eerst wordt ervaren als het ware innerlijke wezen van de mens. Je weet uit de aard van de zaak zelf: Nu kan je niet meer dieper gaan. Je vindt een echte organologie.

Terwijl wij aan de ene kant in ons innerlijk zijn doorgedrongen, de Imaginatie hebben verdiept, hebben wij aan het gewone bewustzijn onttrokken datgene wat wij door het denkwerk in de "Filosofie van de Vrijheid" daadwerkelijk hebben bereikt. Wij hebben gedachten die in het zuivere denken zweefden, omgezet in betekenisvolle krachten die nu in ons bewustzijn leven. Wat eerder zuivere gedachte was, is Inspiratie geworden. We hebben de Imaginatie getraind, en het zuivere denken is Inspiratie geworden. En we kunnen nu die twee soorten ervaring combineren. We komen weer tot Intuïtie door de verbinding van inspiratie en Imaginatie.

Bij het inademen ervaart de persoon die een echte yogaleerling wordt, datgene wat hem geestelijk organiseert. Om het ademhalingsproces bewust te vatten, dat wil zeggen, zichzelf te vatten voorbij geboorte en dood. Het voortgaan van het beleven van de spreuk, van het woord, naar het beleven van het ademhalingsproces betekende zich inleven in het door Inspiratie vatten van het eeuwige in de mens. Wij westerlingen moeten hetzelfde ervaren in een andere sfeer.

Als we lucht inademen, wordt het hersenvocht naar de hersenen geduwd. Dat wat zich zo van het proces van inademing in de hersenen uitdrukt, dat werkt in de zintuiglijke activiteit als waarneming. Als we uitademen, zakt het hersenvocht, het drukt op de bloedsomloop. Het daling van het hersenvocht is verbonden met de activiteit van de wil. In dat denken dat wij als zuiver denken bereiken, vallen wil en denken samen. Daarom is dat wat zuiver denken is, nu verwant met dat wat de Oosterling ervoer bij het proces van uitademen. De waarneming houdt verband met het proces van inademing. De westerling kan innerlijk waarneming en gedachte verbinden. Aldus, door begrip, gedachte en waarneming met elkaar te verweven, ontwikkelt zich een in zekere zin een geestelijke ademhaling van de ziel, in plaats van de fysieke ademhaling van de Jogafilosofie. En de westerling leidt zich door deze pendelslag geleidelijk naar de ware geestelijke werkelijkheid in Imaginatie en Inspiratie en Intuïtie.

Wij in het Westen kunnen in geest en ziel waarnemen en denken samen laten klinken, wanneer wij opklimmen tot een wetenschap die een levende wetenschap is, die ons laat leven in het element van waarheid. En na alle mislukkingen van het Kantianisme, van het Schellingianisme, van het Hegelianisme, hadden wij behoefte aan een dergelijke filosofie, aan een dergelijke vergeestelijkte wetenschap, waarin de waarheid werkelijk kan leven voor het heil van de menselijke ontwikkeling.